Preek zondag 26 september 2010


 

Al legert zich tegen mij een leger, mijn hart wordt niet bevreesd,-

 

 

Psalm 23.

(Een musiceerstuk, van David.)

De Éne is mijn hérder, míj zal níets ontbréken;

in weiden vol gróen vlijt hij mij néer, hij voert mij mée naar wáteren van rust;

mijn ziel keert door hém in mij terúg, hij leidt mij in sporen van gerechtigheid omwílle ván zijn náam!

 

 

In psalm 23 verplaatst David zich in de positie van een schaap. Als voormalig herder van beroep had hij daar wel kijk op. Schapen trekken op in kuddevorm. Een individueel schaap dat zich midden in de kudde bevindt volgt de bewegingen van het geheel. Samen met de anderen gaat het naar de weide. Het schaap heeft geen idee naar welke weide, of waarom. Het loopt gewoon mee. Voor de waaromvraag interesseert een schaap zich niet.

De herder bepaalt wat er gebeurt. Kiest de weide. Weet ook waarom deze weide vandaag, en welke weide morgen. Het schaap graast. Doet “ zijn ding.”

Moet dat ook niet gelden voor ons, christenen? We hebben nogal eens het idee dat we veel beter moeten. Dat we geweldig tekort schieten. Maar misschien is christen zijn ook wel gewoon “ je ding doen.” Nier roddelen. In gezelschap om stilte vragen om te bidden voor je eten. Vriendelijk zijn. Gewoon “ schaap zijn.” De herder volgen, en hem laten bepalen waar je naartoe gaat.

Het ging David duidelijk heel goed, toen hij deze psalm componeerde. Hij zat goed in zijn vel. Was heel evenwichtig. Rust en kalmte waren zijn deel. Hij koesterde zich in de goede zorgen van de herder.

Hij overpeinst zijn gelukkige situatie. En hij realiseert zich dat het ook anders kan.

Ook als ik moet gaan door een dal vol schaduw van dood,- kwaad zal ik niet vrezen,

want gíj zijt bíj mij; uw staf en uw stok, díe zullen míj vertróosten.

Als het tegen zit, zegt David, zal ik me herinneren hoe betrouwbaar de herder is. Zal ik me te binnen brengen dat het hem niet uit de hand loopt. Dat de weg langs zware schaduwen kan lopen. Dat je geen idée hebt waar het naartoe gaat.

Dan komt het aan op vertrouwen. Vertrouwen in de herder. Vertrouwen dat je opbouwt als het je goed gaat. Zodat je een positief vertrouwenssaldo hebt als het je tegen zit. Een saldo waarop je kunt teren.

Hoe lang de ellende duurt weet je niet.

Gij bereidt voor mijn aanschijn een tafel tegenóver mijn benáuwers; gij zult mijn hoofd betten met olie, mijn béker is óvervól!

De vijand zal je uiteindelijk niet overwinnen. Hij zal moeten toekijken hoe de herder je aan tafel nodigt. David vertrouwt erop dat God ‘m altijd zal bijstaan. En dat hij uiteindelijk, ook na de ellende, weer veilig zal zijn.

Mij achtervolgen slechts goedheid en vriendschap, al de dágen van mijn léven; terugkeren mag ik in het huis van de Éne in léngte van dágen!

Hoop op de Ene: wees sterk, je hart zij ónversáagd,