Preek zondag 15 november 2015


Gij moogt vertrouwend lopen:

 

Op 30 augustus luisterden we naar een toespraak getiteld ‘De toekomst is begonnen.’ We keken vooral naar de Heer Jezus. De enige persoon die we nodig hebben. En we dachten na over zijn wijsheid, aan de hand van Jacobus 3,17. Vandaag besteden we aandacht aan vragen en opmerkingen die naar aanleiding van 30 augustus werden gesteld/gemaakt.

We lezen 2 Thess. 2 in zijn geheel:

Maar wij vragen u, broeders-en-zusters, over de komst van onze Heer, Jezus Christus, en over onze vereniging met hem, dat gij niet zo snel u van het verstand laat beroven of u laat verschrikken, niet door een geestesuiting, niet door een woord en niet door een brief als door ons verzonden, dat de dag van de Heer aanstaande is. Laat nooit iemand u misleiden, op geen enkele wijze,- omdat eerst de afvalligheid moet komen en de mens der wetloosheid geopenbaard zal worden, de zoon van de ondergang, de tegenstander die zich ook verheft tegen al wat God heet of zozeer voorwerp van verering is dat hij zich in de tempel van neerzet om van zichzelf te dat hij god is. Herinnert ge u niet dat ik, toen ik nog bij u was, u deze dingen heb gezegd? Voor nu wéét ge wat hem tegenhoudt; hij moet geopenbaard worden als het zijn tijd is. Want het geheimenis der wetloosheid doet reeds z’n werk; alleen moet wie hem nu nog tegenhoudt worden tegengehouden tot hij uit het midden weg is. En dán zal de wetloze worden geopenbaard, welke de Heer zal wegrukken door de adem van zijn mond en buiten werking zal stellen met de verschijning van zijn komst,- hem wiens komst is, overeenkomstig de werking van de satan, in alle kracht en tekenen en wonderen van leugen, en in alle misleiding in ongerechtigheid voor wie verloren gaan, daarvoor dat zij de liefde voor de waarheid niet hebben willen ontvangen waardoor zij konden worden gered. En daarom zendt God hun een inwerking die misleidt, zodat zij in de leugen geloven,- opdat allen geoordeeld worden die niet in de waarheid geloven maar welbehagen hebben in de ongerechtigheid. Maar wij behoren God altijd voor u, ‘door de Heer geliefde’ broeders-en-zusters, dank te brengen, omdat God u als eerstelingsgave heeft uitgekozen om gered te worden in heiliging door de Geest en waarachtig geloof, waartoe hij u ook geroepen heeft door onze verkondiging, om de glorie van onze Heer, Jezus Christus, te mogen verwerven. Dus, broeders-en-zusters, staat dan pal en houdt vast aan de overleveringen waarin ge onderricht zijt, hetzij door een woord hetzij door een brief van ons. Maar moge onze Heer, Jezus Christus zelf, en God onze Vader, die ons liefgehad heeft en eeuwige bemoediging heeft gegeven en goede hoop, in genade uw harten bemoedigen en versterken in alle werk en woord dat goed is!

Er is in de christenheid heel wat gedoe over de (weder)komst van de Heer Jezus. Daar wordt heel veel over geroepen en ook veel met grote stelligheid verkondigd.

We dreigen wel eens te vergeten dat er een periode in de christenheid was – het Reveil – waarin de bijbel heel zorgvuldig werd bestudeerd, met name als het ging om de profetische geschriften. En al die informatie is via het internet moeiteloos beschikbaar. En wat meer is: qua inhoud zijn die studies en inzichten uit zeg 1825 – 1875 beslist niet verouderd! De grote hervormers als Luther en Calvijn brachten Bijbelse waarheid van rechtvaardiging op grond van geloof alleen weer aan het licht. Maar over de wederkomst van Christus en de positie van Israel spraken ze in het geheel niet. Van een onderwerp als de opname van de gemeente hadden ze geen enkele notie. Daarvoor moeten we toch echt bij de schrijvers van het Reveil zijn. Twee heel korte aanduidingen van zulke studies volgen hierna (excursie 1 en 2).

Excursie 1: De voetwassing (Joh. 13, 1-10) en de Hebreeuwse slaaf (Ex 21, 1-6).

In Ex 21 gaat het over een hebreeuwse slaaf en diens rechten. Na zes jaar mocht deze simpelweg vertrekken. Maar als die slaaf niet weg wilde omdat hij vrouw en kinderen had van wie hij zielsveel hield, werd in zijn oor een gaatje gemaakt en diende hij zijn baas zijn leven lang.

De Heer Jezus had na zijn intocht in Jeruzalem (Joh. 12) zo terug kunnen gaan naar de hemel. Maar hij had de zijnen lief tot het einde (Joh. 13, 1). Hij koos helemaal vrijwillig voor de christelijke gemeente. Voor de mensen die God als geschenk aan zijn zoon wilde geven. En in de voetwassing maakt hijzelf het ons mogelijk om in volle harmonie met God de Vader te leven.

Excursie 2: Het altaar (Ex. 20, 24-26)

Als Israel op een wel heel hectisch punt in zijn geschiedenis staat (Ex. 19, Ex. 20, 1-23) begint God over de plaats waar Hij wil wonen: het altaar. De stenen daarvan mochten niet behouwen worden. En ook mocht er geen trapje worden aangebracht. We moeten Gods woonplaats niet modelleren naar eigen inzicht. En we moeten die woonplaats ook niet moeilijk bereikbaar maken! Heel wat christenen stellen dat je het niet zo simpel mag voorstellen. En dat het allemaal zo makkelijk toch niet gaat. Dat zijn ‘trapjes’ en ‘behouwen stenen’. Wij zijn Gods geschenk aan Christus. Niks minder!

Een klassieke vraag is ‘wanneer begint de eindtijd?’ Als de Heer Jezus verschijnt aan zijn tien discipelen (Joh. 20, 19-23) zegt hij vrede voor u!- zoals de Vader mij heeft uitgezonden zo stuur ook ík u uit! Als hij dat gezegd heeft blaast hij hun toe en zegt hij tot hen: neemt in u op heilige geestesadem;

Als de Heer Jezus op zijn discipelen blaast begint de eindtijd. Ze ontvangen de Heilige Geest. Zoals de geschiedenis van de mens begon toen God de mens vormde en levensadem in zijn neusgaten blies.

 

Door op ons – zijn gemeente – te blazen maakt de Heer Jezus ons tot geheel andere mensen. Tot zijn gemeente, die bij Hem hoort en niet meer bij de aarde. Die adem betekent dat wij nieuw leven hebben. Zondeloos leven. Met een voor altijd onverbrekelijke relatie met God. Maar onze zonden dan? Wij begaan absoluut nog misstappen. Onze menselijke natuur is er nog. Door zonde kunnen we wel onze vreugde in God verliezen. Maar nooit onze relatie met hem. Omdat Hij die van Zijn kant is aangegaan!

 

Waarom grijpt God niet in en breekt de dag van Christus nog niet aan? Op dit moment geldt dat ‘de mens van de wetteloosheid’ nog niet openbaar is omdat eerst de christenen zullen worden opgenomen en pas dan de antichrist zijn gang zal kunnen gaan (2 Thess. 2, 6-8). En als dan de gruwelijkheden werkelijk ongekend worden en alle remmen los gaan komt Christus terug om orde op zaken te stellen. De Bijbelse profetieën waren lang een gesloten boek. Eerst in de periode van het Reveil ontstond zicht op de oprichting van het duizendjarig vrederijk, met daaraan voorafgaand de grote verdrukking en de opname van de gemeente (dat zijn de waarlijk wedergeborenen) en op Gods plan met Israel.

 

God beloofde Abraham in Genesis een gigantisch grondgebied. Ook ten tijde van Salomo was het land nooit van die omvang. Dat komt dus nog! Elk idee dat Israel ter zijde geschoven zou zijn door God moeten we van de hand wijzen.

In Ex. 21, 12-14 stelt God de vrijstad in. Als iemand bij ongeluk een ander doodde kon hij naar een vrijstad vluchten. En na de dood van de hogepriester was hij weer vrij man. Als de Heer Jezus in het eerste kruiswoord zegt ‘Vader vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen,’ zegt hij met zoveel woorden: het was onwetendheid. En dus is er voor Israel een vrijstad; ze mogen terug naar het aan hen beloofde land.

 

De broeders van het Reveil zagen niet zoveel in het stichten van weer nieuwe kerkgenootschappen. Gelovige christenen zijn door God uitverkoren van voor de grondlegging van de wereld. Kerkmuren hebben daar niks mee van doen. De christelijke gemeente is wereldwijd en bestaat dwars door kerkmuren heer uit alle ware christ-gelovigen. Die gemeente is het cadeau van God de Vader aan zijn Zoon.

 

Ook hoor je vandaag der dag soms mensen die beweren dat Gods koninkrijk er aan komt of zelfs er al is. Je hoeft niet veel rond te kijken om te zien dat de wens hier de vader van de gedachte is. En de profetische geschriften leren dat het eerst nog erger zal worden alvorens het koninkrijk door God zelf zal worden gevestigd. Eerst zal na de opname van de gemeente de wetteloze schier almachtig worden. De gruwelijkheden zullen dan zo groot worden dat God ingrijpt. En zijn koninkrijk vestigt.

 

Laten we helder voor ogen houden dat de toekomst niet onze toekomst is, maar de toekomst van de Heer Jezus. En dat de kernvraag voor ons christenen is of wij op dit moment al Jezus Christus werkelijk tot kern van ons bestaan willen maken. Kern van ons persoonlijk en gemeentelijk bestaan. Onverkort en zonder compromis.

 

Laten we ons het zicht op de toekomst van onze Heer niet laten ontnemen. Laten we de rijkdom van de profetische geschriften die het Reveil ons aanreikt weer opnieuw gaan bestuderen. En laten we de dogma’s die er toch weer ingeslopen zijn met eigen vormen en ongeschreven maar ijzeren regeltjes daarbij onderkennen en loslaten. Laten we het altaar ‘zonder behouwen stenen en trappetjes’ nemen en niet bepalingen koesteren of invoeren die in de christelijke gemeente toch weer op muurtjes gaan lijken.

 

 

God doet de toekomst open