Preek zondag 29 augustus 2010


 

Gij badt op eenen berg alleen,

Er staat een snoeppot in de spreekkamer. De kinderen die met hun moeder meekomen weten dat. En als echte kinderen vragen ze om een snoepje, als dat niet direct wordt aangeboden.

De moeders weten hoe het hoort. Ze berispen hun kinderen voor het vrijpostig gevraag.

God verschijnt aan Abraham (Gen. 17: 1 – 4). En voert met God een tweegesprek. In alle intimiteit en eenvoud. Om jaloers op te worden. Contact met God, zo direct en intens.

Eerst stelt God zich voor: ik ben El Sjadai,- God-de-Almachtige; de God die hemel en aarde schiep spreekt met een sterfelijk mens. God wil een verbond met Abraham. Twee partijen die samen afspreken hoe ze met elkaar zullen omgaan. Van Abraham verwacht God: wandel voor mijn aanschijn en wees volmaakt!- En God belooft van zijn kant: ik zal je zeer, zéér overvloedig maken! Worden zul je tot vader van een menigte van volkeren; Zo een verbond wordt bekrachtigd met een teken (Gen. 17: 9 – 10): de bezegeling van het verbond is de besnijdenis die wordt ingesteld.

In het nieuwe testament staat een parallelle passage (Kol. 2: 6 – 12). Voor christenen is de doop de bezegeling van het verbond met de Heer. Het gaat om ons leven met Christus. Onberispelijkheid wordt ook daar verlangd. Heel Gods ontzagwekkende grootheid is in Christus aanwezig omdat in hem heel de volheid van de Godheid lichamelijk woont.

En die grootheid huist ook in ons: en gij de volheid hebt ontvangen in hem die het hoofd is van alle overheid en gezag;

Voelen wij de hunkering om meer en meer van Gods aanwezigheid in ons leven te ervaren? De hunkering om daarvan meer te merken en meer te laten merken ook aan anderen om ons heen? Staan we er wel eens bij stil dat Gods ontzagwekkendheid in ons woont?

Als God aan Abraham is verschenen, pakt Abraham zijn leven weer op. In Gen. 18 zit hij voor zijn tent. Hij lijkt niet erg actief ergens mee bezig. En in die stilte verschijnt de Heer. Hebben wij in ons drukke bestaan nog ruimte voor God? Krijgt hij de kans om met ons in contact te treden?

Als Abraham de drie mannen plotseling ziet, betoont hij hen gastvrijheid. En de Heer herhaalt zijn belofte uit hoofdstuk 17 dat aan Sara en hem een zoon zal worden geboren.

En dan volgt de geschiedenis waarin God aan Abraham vertelt dat hij Sodom gaat verwoesten. Toen heeft de Ene gezegd: zal ik voor Abraham gaan verhullen wat ik ga doen? En Abraham werpt zich op als advocaat voor Sodom. Abraham treedt nader en zegt: wilt ge werkelijk wegrukken oprechte en boosdoener samen?- misschien is er een vijftigtal rechtvaardigen binnen de stad.

Gods reactie is anders dan we zouden verwachten. Niet die van een meerdere die een mindere de mond snoert. God vindt kennelijk Abrahams vraag helemaal niet ongepast. God staat veel dichter bij ons dan wij wel durven geloven. Hij heeft weinig moeite met onze vragen. Joh. 15: 7:

Als gij blijft in de eenheid met mij en al wat ik gezegd heb u bijblijft,- al wat ge wilt: vraagt het en het zal u ten deel vallen.

Zijn wij bereid “in de eenheid met hem te blijven?” Dan is er de belofte dat we mogen vragen wat we willen. Hebben wij die vrijmoedigheid? Dat lef? Durven wij Gods snoeppot aan te spreken?

O leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!