Preek zondag 22 augustus 2010


 

Móesten we niet feestvieren en verheugd zijn…..


De gelijkenis van de twee verloren zonen sluit af met een feestmaal. Het feestmaal van de vader. Omdat er geen betere manier is waarop God kan laten zien wat het betekent om een leven op grond van zijn reddingswerk te leiden. Vier aspecten kunnen we daarbij onderscheiden.

Gods redding is een ervaring.

Geloven dat God genadig is, en kunnen beredeneren dat je daardoor bent gered is één ding. Het is net zoiets als weten dat honing zoet is. Maar werkelijk de sensatie van honig ervaren doe je pas als je die werkelijk proeft. En de zoetheid op je tong ervaart. En dat geldt ook voor onze redding. We kunnen de redding met ons hart ervaren boven beredeneren uit. Het feest van onze redding kan huizen in ons hart. En gaat redeneren te boven. De gelukkige toekomst werpt zijn schaduw al vooruit (Isaac Watts, 1707):

 

The hill of Zion yields

A thousand sacred sweets

Before we reach the heavenly fields

Or walk the golden streets

De heuvel Sion biedt

Reeds duizend schone dingen

Voor ik het overwinningslied

Der zaligen zal zingen.

 

Gods redding is stoffelijk.

Een maaltijd is een fysieke ervaring De verrezen Heer vroeg om eten. En toonde daarmee zijn lichamelijke opstanding aan. Wij zijn op weg naar het bruiloftsmaal van Openbaring 19. God schiep de wereld niet met dood, lepra, armoede en blindheid. God zag dat zijn schepping goed was. En Jezus predikte niet alleen, hij genas zieken. Voedde hongerigen.

Wij christenen hebben in dat spoor een taak op aarde. Hier en nu. Wij christenen zijn niet passief tegen onrecht. Op 11 juli 1862, de dag nadat de slavernij in Suriname was afgeschaft, hing Jacob Voorhoeve de vlag uit. Hij had daarvoor gestreden! Het feest van onze redding zet ook ons aan tot activiteit.

Gods redding is persoonlijk.

Een maaltijd is ook voeding natuurlijk. God wil ons voeden met het evangelie. Niet met religie. Onze motivatie, onze identiteit, onze wereldbeschouwing moet uitgaan van het evangelie.

Als Paulus de gelovigen in Korinthe oproept om geld af te zonderen voor de arme christenen in Jeruzalem beroept hij zich niet op zijn macht of gezag. Hij roept Gods genade voor de Korinthiërs in herinnering (2 Kor. 8: 9). En zegt: “ denk aan zijn kostbare genade, net zo lang tot je net zo vrijgevig bent als hij!”

Wij christenen vertrouwen nogal eens meer op onze eigen inspanningen. Op ons inkomen en werk. Op onze maatschappelijke positie. En we zijn nogal eens in de greep van angst, boosheid en onbeheersbaarheid. Dat kan alleen veranderen als we ons persoonlijk voeden met het evangelie. En ons de vruchten daarvan toe-eigenen.

Gods redding is gemeenschappelijk.

Een feestmaal is een gezamenlijk iets. Wij leven vandaag de dag in een individualistische cultuur. En menen het allemaal wel zelf te kunnen rooien. En vooral ook dat de persoonlijke visie gaat boven de gemeenschappelijke. Individuele vrijheid is zo ongeveer heilig verklaard.

Kerken zijn al helemaal niet populair meer. “ Ik geloof wel, maar ben niet kerkelijk” hoor je nogal eens. “ De vorm maak ik zelf wel uit.”

Nu valt daarvoor nog wel begrip op te brengen. Kerken en kringen zitten nogal eens vol met “ oudste zonen.” Met personen die regels en normen prediken, bijvoorbeeld “omdat het altijd zo geweest is.” Die soms die opvattingen zodanig etaleren dat anderen er zich door verstikt voelen.

Toch is dat een slechte reden om kerk of kring dan maar bij het grof vuil te zetten. Want alleen samen met al de heiligen kunnen we de alle kennis overtreffende liefde van de Christus kennen. Zoals van de engelen uit Jesaja 6 staat: De een riep tot de ander en zei: heilig, heilig, heilig is de Ene. Om Gods grootheid te zien hadden ze elkaar nodig.

Jezus is het brood uit de hemel. Hij vraagt ons de weg van zijn evangelie, van zijn redding, te gaan. En dan komen wij uit bij Gods uiteindelijke feestmaal. Jesaja 25: 6 – 8:
Maken zal de Ene, de Omschaarde, voor alle gemeenschappen, op deze berg, een feestdronk met olierijke spijzen,een feestdronk van lang-bewaarde wijnen,- vetrijke spijzen vol merg, glasheldere lang-bewaarde wijnen.

Laten slijten zal hij, op deze berg, het aanschijn van de sluier waarmee zijn omsluierd alle gemeenschap-pen,- en de bedekking waarmee zijn overdekt alle volkeren.

Verslinden zal hij de dood, voor immer, en afwissen zal mijn Heer, de Ene, de tranen van elks aanschijn;

de smaad van zijn gemeente zal hij wegdoen van over heel de aarde, zó heeft de Ene gesproken!

…..een feestdronk met olierijke spijzen,

een feestdronk van lang-bewaarde wijnen,-

 

Illustratie: Babette’s Feast.

Babette’s Feast is een van de klassiekers van de ‘christelijke film’. Bij meerdere christelijke auteurs zie je de film terugkomen als ultieme parabel voor genade (Philip Yancey, Eugene Peterson). Hoe zit dat? In een ietwat traag, maar mooi geschoten drama, maken we kennis met Marina en Philippa, twee deugdzame zussen. Ze wonen aan een kille Scandinavische kust en zijn de dochters van een voorganger die een kleine gemeenschap leidde, die zich van alle genietingen van het leven onthielden; hij is inmiddels overleden, maar onder aanvoering van de twee zussen gaat een groepje bejaarden nog dapper door.

De komst van een Franse dame, de Babette uit de titel, verandert alles. De eerste jaren nog niet zo veel. Babette is een levendige vrouw en het dorpje krijgt meer een blos op de wangen. Ze wordt de kokkin van de twee oude zussen, maar ze voelt goed de ingetogenheid aan en doet niets buitensporigs. Tot ze de loterij in Frankrijk wint. Marina en Philippa nemen aan dat ze nu wel terug zal gaan naar Frankrijk, en Babette vraagt inderdaad ook om ‘een laatste gunst’: ze wil het afscheidsmaal bereiden.

En dan komt een grote wending. Babette die altijd zo sober kookte, precies zoals het dorp het altijd gewend was, maakt een lijst bestellingen, van truffels tot schildpad. De dorpelingen verstijven als het binnen wordt gebracht, en nemen zich stellig voor er niet van te genieten. Maar als ze de gerechten na dagen voorbereidingen hun voorschotelt, stijgt en stijgt te stemming en kunnen ze zich niet meer inhouden: dit is het lekkerste wat ze ooit gegeten hebben. De verhalen komen en zelfs oude vetes worden bijgesteld.

Tegen het einde van de maaltijd blijkt dat deze Babette een van de beroemdste koks was in Frankrijk, maar dat nooit heeft willen zeggen, om het dorp niet in verlegenheid te brengen. Ze wil ook helemaal niet terug naar haar vaderland, en heeft al het geld van de loterij, al haar kansen op een beter leven, gegeven aan de ingrediënten van deze ene maaltijd…

Dat is de wending waar de christelijke auteurs natuurlijk op af vliegen, en terecht. Er is in de cinema zelden een mooiere en ontroerender metafoor geweest voor Christus; die immers alles opgaf voor het geluk van zijn naasten. Door de maaltijd wordt de metafoor nog scherper: het is ook een beeld voor het christelijke ritueel van het avondmaal. In het avondmaal wordt immers gevierd dat Christus zijn lichaam gaf tot ‘voedsel’ van anderen; dit is precies wat Babette doet.

Babette’s Feast is een uitermate humane film, vol vriendelijke humor en ontroering. En ook wel een beetje saai, toegegeven.