Preek zondag 6 september 2015


Hart, onrustig, vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel,

 

Nood leert bidden” zegt een Nederlands spreekwoord. Als je in de penarie zit ga je anderen om hulp vragen.

Zo links en rechts in de bijbel zie je daarvan wel iets terug. En zeker in de psalmen. Daar spreken mensen tot God. En nogal eens op heel vrijmoedige manier. Mensen die het helemaal aan zichzelf te wijten hebben (“eigen schuld, dikke bult?”) dat ze vastgelopen zijn, smeken vervolgens God om hulp. Is dat nou wel normaal? Is dat niet al te makkelijk? Afschuiven van verantwoordelijkheid?

 

Een oude man zit bij de snelstromende rivier. Hij ontwaart een schorpioen, die door de stroom wordt meegesleurd. De schorpioen komt vast te zitten in de boomwortels en dreigt te verdrinken.

De man gaat languit op de boomwortels liggen om de schorpioen te bevrijden. Maar het beest steekt hem hevig. De man houdt vol. Een voorbijganger roept: sufferd, waarom waag jij je leven voor een schorpioen? Waarop de man zegt: vriend, het is de aard van de schorpioen om te steken, maar moet ik daarom mijn aard om te redden verloochenen?

(naar Anselm Grün)

 

Psalm 80 is zo een psalm waarin God wordt aangeroepen. Een getuigenis, zegt het opschrift. Gods volk staat er slecht voor. Politiek en religieus hebben ze er een puinhoop van gemaakt. Ze zitten als volk muurvast. Herinnert de dichter/musicus Asaf zich via de overlevering hoe ooit Salomo bad om genade voor het volk als het zich misdroeg en dat erkende (1 Kon. 8, 46 – 53), en ontleent hij daaraan de moed om bij God om redding te pleiten?

 

En wat een prachtig begin: Herder van Israël, neig uw oor, Het gebed klinkt in de eredienst, in de richting van het heiligdom waar de ark staat met de cheroeviem. God leidt zijn volk als een herder zijn schapen. Maar de Assyriers staan voor de poort of al verder (Ps 79, 1) en de situatie is meer dan beroerd. Ook geestelijk geldt dat: koningen volgden elkaar snel op. Ze deden “wat slecht was in de ogen van de Heer.” Waarschuwende profeten vonden geen gehoor. De Baälsdiensten gingen gewoon door.

En dan draait God zijn gezicht weg. Laat hen over aan hun zelfgekozen lot. Asaf bidt daarom: o God verschijn in glans,…, laat uw heldhaftigheid ontwaken,- ga over tot onze redding; breng gij ons de keer: in het licht van uw aanschijn worden wij gered!

“Heer, wees een horende herder” vragen ze. Ze leveren zich uit aan God: andere wegen zijn er niet meer.

 

De Heer is de machtige God. Groots in majesteit en kracht. God van de strijdscharen. De Israëlieten roepen hun klacht met kracht naar Hem toe: Ene, der strijdscharen God, tot wanneer de wolk van uw woede bij het bidden van uw gemeente? Tot wanneer blijft u kwaad? Ze spreken met verbluffende vrijmoedigheid. Niet dat ze hun schuld ontkennen. Die beseffen ze beslist. Ze confronteren God met zijn eigen beloften. En bepleiten dat God zich weer omkeert naar zijn volk. Want ze weten en pleiten: in het licht van uw aanschijn worden wij gered!

 

En ze bidden met toenemende intensiteit. Let op de steeds sterkere woordkeus in de drie refreinen:

vs4: breng gij, o God, ons de keer……”
vs. 8: God der strijdscharen, breng ons de keer,……”

vs 20: Ene, God der strijdscharen, breng ons de keer,……”

 

In de verzen 9 t/m 18 voert de dichter Gods historie met het volk ten tonele. U haalde ons uit Egypte en plantte ons in Israel. Dat bent U niet vergeten toch? U keek naar ons als naar een Zoon die u zelf en voor uzelf sterk maakte! Ene, God der strijdscharen, breng ons de keer,……”

 

En dan vergeten ze ook de andere kant van hun pleidooi niet. De verandering van hun houding. Dan zullen wij niet van u wijken, doe ons leven, uw naam roepen wij aan! In het licht van uw aanschijn worden wij gered!

 

De verhoring van het gebed voor ons ligt in de Heer Jezus Christus. In hem toont God ons zijn lichtend gelaat. Redding komt van God. Redding is er alleen door Jezus Christus. Hij is Gods lichtend gezicht voor de wereld. Psalm 80 roept om Jezus Christus. Die zijn aard om te redden nooit verloochent.

 

hoop op God en wees geborgen. Hij verheft wie nederviel.