Preek zondag 8 augustus 2010


 

Ik hef mijn ogen óp naar de bérgen

Drie mensen in de bijbel. Met de vraag wat hun uitzicht eigenlijk was.

De eerste is Noach. Het verhaal van Noach is eigenlijk triest. Al wat God geschapen had was “ zeer goed.” Totdat wij mensen in zonde vielen. En de boosheid op aarde zich stormenderhand uitbreidde. Zodanig dat God moest besluiten de aarde te oordelen.

“Dan zegt de Ene: wegvagen zal ik de roodbloedige mens die ik heb geschapen van het aanschijn van de bloedrode grond, zowel de mensheid als het vee tot aan wat rondkruipt en wat vliegt langs de hemel; want ik heb spijt gekregen  dat ik ze heb gemaakt! Maar Noach vond genade in de ogen van de Ene.”

Noach wandelde met God. Niet voor Hem uit. Niet achter Hem aan. Naast God, in Zijn schaduw. de ENE is je scháduw aan je réchterhánd.” God wilde Noach redden van het oordeel dat Hij over de wereld ging brengen. En God gaf Noach de opdracht een ark te bouwen. Een geweldig schip werd het. Met een bouwtijd van 120 jaar. Het kan niet anders of de omstanders zullen er wel schampere opmerkingen over gemaakt hebben. Wat is dat nou voor een nutteloze tijdsbesteding, Noach.

Er is een opmerkelijk detail in de beschrijving die Noach kreeg toen hij de ark ging maken. een lichtluik moet je maken voor de ark, op een el van bovenaf moet je dat laten ophouden” Er moest een lichtluik komen. Naar boven gericht. God zal voorzien hebben date er zich onthutsende taferelen zouden afspelen rond de ark zodra het water begon te stijgen. En de mensen in de gaten kregen dat ze ten dode waren opgeschreven. Noach kreeg een uitzicht naar boven. Op God zelf. God die de koers van se voor Noach stuurloze ark bepaalde. God die voorging in die koers. Zoals God ook uw en mijn leven bestuurd. Hij alleen. En zoals ook wij heel onze koers het beste maar aan Hem toevertrouwen. Noach wist op Wie hij vertrouwde. Weten wij dat ook, in alle omstandigheden van ons leven?

Een tweede uitzicht zien we in de geschiedenis van Jozef. Jong nog met zijn 17 jaren meldde hij aan zijn vader hoe zijn broers zich misdroegen. Die broers werden laaiend, en smeten hem op een dag in een droge waterput. Met alleen maar uitzicht op de hemel.

Wie zit er nooit in de put, figuurlijk gesproken. Met zorgen die je kwellen. Over je werk. Over je kinderen of je ouders. En dan zegt de geschiedenis van Jozef: kijk dan maar naar boven, naar de hemel. Vanwaar zak komen je hulp.

En dan is er Mozes. Hij is 120 jaar oud als hij aan het einde van zijn leven staat. Na veertig Egyptische jaren, waarin hij als leider werd opgevoed. En vervolgens veertig eenzame jaren in de woestijn, waarin hij vertrouwelijk met God omging voerde hij in de laatste veertig jaren van zijn leven het volk Israel aan. Dan laat God hem de berg Nebo beklimmen. En God geeft Mozes een formidabel uitzicht op het beloofde land. Maar binnengaan mag hij het niet. Omdat Mozes God niet de eer had gegeven die God toekwam. Met onze menselijke vermogens snappen wij Gods besluit niet altijd. Maar wij nemen in geloof aan dat Hij zich niet vergist.

Ook wij hebben een formidabel uitzicht. Eerstens een uitzicht op de hemel. Wat we daar zullen aantreffen is op geen enkele manier voor te stellen. Zoals de koningin van Scheba het verbluft zei: “ de helft is me nog niet verteld!”

En tweedens hebben we het uitzicht op de komst van de Heer. Er is geen enkele profetie die vóór die komst nog moet worden vervuld. Het kan elk moment gebeuren.

Is ons uitzicht ook altijd naar boven? Zie wij de hemel? Vertrouwen we ons leven en ons streven aan God toe? En genieten we van het vergezicht dat Hij ons wil laten zien? En anders dan Mozes: wij zullen wel binnen mogen gaan!

De ENE waakt over je gáan en je kómen, van nú en tót in éeuwigheid.