Preek zondag 17 mei 2015


‘wie heeft het denken des Heren herkend dat hij hem raad zal geven?’

1 Kor. 2: 15; (Jes. 40:13).

 

Een lied dat we wel eens zingen luidt:

 

Neem de wereld, geef mij Jezus!

Wereldvreugd’ gaat ras voorbij.

Maar de liefde van mijn Heiland,

blijft voor eeuwig rijk en vrij.

Dat zadelt ons op met de vraag waarmee wij ons bezighouden (Matth. 6: 21): want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn!

Johannes is in zijn brieven tamelijk radicaal (1 Joh. 2: 15 – 17):

hebt niet de wereld lief 
noch wat in de wereld omgaat; 
als iemand de wereld liefheeft, 
woont de liefde voor de Vader niet in hem, omdat al wat in de wereld omgaat: 
het verlangen van vlees-en-bloed, alles 
waar de ogen naar verlangen en 
het pronken met bezit, 
niet uit de Vader voortkomt maar uit de wereld; de wereld gaat voorbij, 
en haar verlangen ook, 
maar wie doet wat Gód wil, 
blijft tot in de eeuwigheid.

1 Joh. 5: 10 – 12):

Wie gelooft in de Zoon van God 
heeft het getuigenis in zich; 
wie aan God geen geloof hecht 
heeft hem tot leugenaar gemaakt, 
omdat hij niet geloofd heeft 
in het getuigenis waarmee God heeft getuigd 
van zijn Zoon; en dit is het getuigenis, 
dat God ons eeuwig leven heeft gegeven, 
en dit leven te vinden is in zijn Zoon; wie de Zoon heeft, heeft het leven; 
wie de Zoon van God niet heeft, 
heeft het leven niet.

Er zijn christenen die menen dat je de wereld kunt combineren met je christelijk geloof. Als je bovenstaande teksten leest is duidelijk dat Johannes daar toch anders over denkt. We leven in een heel sterk ik – gerichte maatschappij. In een omgeving van halen – hebben – houden. Een tijd van begeerte van het vlees. Van binnenuit voel je de drang zaken te willen hebben en vervolgens ga je de door God gestelde grenzen te buiten. Van begeerte van de ogen. Zaken van buitenaf wil je voor jezelf. Wat de ander heeft moet jij ook. Van de hoogmoed van het leven. Van toch wel heel belangrijk willen zijn. Als ooit Nebukadnezar. Of David, die een volkstelling organiseerde. Of Adam en Eva, om bij het begin te beginnen. In alle gevallen leidde het tot een bodemloze val.

Hoe kan je nu daaraan ontsnappen? Is het wel mogelijk om je te onttrekken aan wat vandaag de dag gemeengoed is? Is begeerte niet een honger die we wel moeten stillen?

Jezus zelf reikt ons het medicijn aan (Joh. 6: 35): Jezus zegt tot hen: 
ík ben het brood des levens; 
wie tot mij komt 
zal geenszins hongeren; 
wie in mij gelooft 
zal nooit of te nimmer dorsten.

Wie zich voedt met Jezus is van honger en dorst bevrijd. Jezus heeft het brood des levens niet, hij is het brood des levens!

Wereldvreugd gaat voorbij. Dat weten en geloven we allemaal. Maar laten we er dan ook naar leven. Met Rom. 6: 6: nu wij dít weten 
dat ons oude mens-zijn 
medegekruisigd is 
opdat het lichaam van de zonde 
buiten werking wordt gesteld 
en wij niet meer dienstbaar zijn 
aan de zonde. Zoals iemand het ooit formuleerde: een christen is een ambassadeur in vijandelijk gebied. En een christen houdt zijn (2 Kor. 4: 18b) blik niet gericht op de zichtbare 
maar op de onzichtbare dingen; 
want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, 
maar de onzichtbare eeuwig.

Zijn wij al volmaakt als christenen op aarde? Dat niet dus, schrijft Paulus (Fil. 3: 10 – 14). Maar laat het duidelijk zijn dat heel ons handelen gericht moet zijn op de roeping van boven, van God in Christus Jezus.

 

Samenvattend (1 Joh. 5: 4): want dit is de liefde voor God, 
dat we zijn geboden hóuden, – 
en zijn geboden zijn niet zwaar, omdat al wat uit God geboren is 
de wereld overwint; 
en dit is de overwinning die 
de wereld heeft overwonnen: 
ons geloof.

 

Wij echter hebben het denken van Christus.

1 Kor. 2: 15b