Preek zondag 5 april 2015


Ach, dat Hem de vijand kende met een kus,

 

Een piloot van een vrachtvliegtuig liep in Oost Afrika een café binnen. Hij zocht wat ontspanning voor hij de volgende dag weer op weg moest. Het gigantische tv-scherm zond de paasviering uit vanaf het Sint Pietersplein.

Wat is dit voor flauwekul” riep de piloot, “is er geen sport op? Wat is hier nou belangrijk aan.”

 

Misschien choqueert zo’n platte uitspraak een ons beetje. Maar de vraag erachter is zo gek nog niet. Hoe kijken wij naar de periode van Goede Vrijdag tot en met de Paasmorgen? We lezen Lukas 24: 13 – 35.

 

Twee mensen lopen naar huis op zondagmorgen. Van Jeruzalem naar Emmaüs. In drie dagen is al hun hoop voor de toekomst van Israel de bodem ingeslagen. De man op wie ze al hun verwachting hadden gevestigd is dood. Door hun eigen leiders nota bene aan een kruis gespijkerd en vermoordt. En dat was nu al drie dagen geleden: alle hoop dus vervlogen. De profetie van Jesaja (44: 21 e.v.) waarin God zelf zegt je wordt door mij niet vergeten! stelt ook niks meer voor.

Bijna ongemerkt loopt er een derde met hen op. Hij vraagt waar ze het over hebben. “Wat? Weet jij van niks? Heb je onder een steen gelegen of zo? Iedereen heeft het erover! “En ze vertellen hem van hun hoop op verlossing. Van de grote indruk die Jezus op hen maakte. Van het gekonkel tussen hun politieke en geestelijke leiders met de Romeinse bezetter en de keus voor Bar Abbas in plaats van Jezus.

En wat ze nou van het volgende moesten vinden snapten ze al helemaal niet. Een paar vrouwen kwamen met het bericht dat zelfs het lijk niet met rust gelaten is. Ze gingen naar het graf om de laatste eer te bewijzen, maar er was geen dode. Jezus zelf zagen ze niet. Daarbij beweerden ze dat ze een visioen van engelen hadden gezien zie zeiden dag de dode weer levend was geworden. “We besloten om maar weer naar huis te gaan en ons leventje weer op te pakken. Een ervaring rijker, maar een hoop armer.”

Dan neemt de derde het woord. En híj zegt tot hen: o onverstandigen, 
te traag van hart om te geloven 
op grond van alles wat gesproken hebben 
de profeten!- moest de Gezalfde niet dat alles lijden, 
en (zó) binnengaan in zijn heerlijkheid? En beginnend bij Mozes en bij alle profeten, 
legt hij hun uit 
wat in alle geschriften over hem gaat.

Jesaja 53 zal aan de orde gekomen zijn, met de lijdende knecht. Maar ook Daniel 6, over de overwinning op de zeker lijkende dood! Jezus zelf legt uit hoe zijn kruis en dood voorafgaat aan zijn opstanding en zijn kroon. Jezus zelf laar zien dat de gang van zaken niet uit de hand is gelopen, maar dat alles geschiedde volgens Gods onwankelbare heilsplan. Matth. 24: 54 – 56 hoe moeten dus 
de Schriften worden vervuld 
dat het zó moet geschieden! In datzelfde uur zegt Jezus 
tot de scharen: als tegen een rover 
zijt ge met zwaarden en stokken uitgetrokken 
om mij vast te nemen?- 
dagelijks heb ik neergezeten 
in het heiligdom en onderricht gegeven, 
en ge hebt me niet overmeesterd; maar heel dit is geschied 
opdat de geschriften der profeten 
worden vervuld!

 

De twee wandelaars horen de derde aan. Drinken zijn woorden in. Het raakt hen diep. Maar toch: herkennen doen ze hem niet. Tot in Emmaüs blijft hij een vreemde voor hen. Maar wel een vreemde aan wie ze graag gastvrijheid bewijzen.

 

In hun woonplaats aangekomen nodigen ze hem uit bij hen thuis. Zij dringen sterk bij hem aan en zeggen: 
blijf bij ons, want het is tegen (de) avond 
en de dag is reeds gaan liggen! 
Hij komt binnen om bij hen te verblijven.

 

En daar geschiedt het wonder. Als ze samen een hapje eten, en de gast het brood neemt, zegent en deelt, worden hun ogen geopend 
en zij herkennen hem; 
en het geschiedt: 
hij wordt onzichtbaar voor hen.

O Here Jezus, dank U wel

dat Gij mij zo beminde,

in brood en wijn een eerherstel,

het leven zelf doet vinden.

 

Het avondmaal proclameert zovaak wij het gebruiken de dood en de opstanding van Jezus Christus. Totdat hij komt! Het loopt God niet uit de hand. En in het avondmaal ervaren we dat telkens opnieuw.

 

en dat Hij zijn vrienden vreemd bleef tot Emmaüs!