Preek zondag 22 maart 2015


………….., dan ben ik al gevonden

 

Is Pniël het hoogtepunt van Jacobs leven? Als je de ontlading leest in Genesis 33: 10:  Jakob zegt: ……………… 
daarom, dat 
ik je aanschijn gezien heb 
zoals men het aanschijn van God ziet, en je welbehagen hebt in mij!-   kun je niet anders concluderen. Jacob is zielsgelukkig en eindeloos blij. Leven op de toppen van je geluk. En dat voor de rest van je leven. Wie wil dat niet.

Maar ja. In de loop van je leven ervaar je de golfbeweging van toppen en dalen. En bedenk je dat je al blij mag zijn wanneer er na een dal weer een top opdoemt.

In Genesis 35 geeft God Jacob een opdracht. Ga verhuizen! Ga naar Betel en bouw daar voor mij een altaar.

Die opdracht heeft duidelijk te maken met de gruwelijke geschiedenis in hoofdstuk 34. De dochter van Jakob – Dina – wordt op reis door het land verkracht door Sjechem, zoon van de vorst Chamor. Maar de overweldiger wordt vervolgens werkelijk verliefd op het meisje dat hij besliep. Zijn vader en hijzelf smeken dat Dina met hem mag trouwen. De zonen van Jakob stellen als voorwaarde dat de onderdanen van Chamor zich laten besnijden. Als dat gebeurd is, wreken Simeon en Levi zich wreed op de inwoners van de stad. Ze doden alle mannen op het moment dat die zich niet kunnen verweren vanwege de operatie van de besnijdenis. Sichem wordt geplunderd en in beslag genomen. Het is geen wonder dat Jakob bang is. Zijn eigen zonen zijn een bedreiging geworden. Hij heeft geen greep meer op ze. Het gevolg is dat Jakob zich daar helemaal niet meer veilig voelt. Hoe zal de bevolking om hen heen reageren op deze ontstellende wreedheid?

En dan verschijnt God. Hij beschermt Jakob (35: 5). En Jakob vindt de kracht om in zijn gezin leiding te geven zoals nog niet eerder was voorgekomen (35: 2 – 4). Jakob ervaart opnieuw in z’n leven dat je zonder God nergens komt.

En dan bekruipt je toch een wat negatief gevoel:

  • Hoe kon Jakob z’n zonen zo slecht in de hand hebben?
  • Hoe kon Jacob de afgoderij zolang toelaten?
  • Hoe kon Jakob zo falen? Hij had zoveel met God meegemaakt, en snapte hij het dan nog steeds niet?

Maar als we de geschiedenis nu eens lezen vanuit Gods perspectief? God die Jakob altijd weer opzoekt. Zonder verwijt. En Jakob die heel goed weet waar zijn zonde zit, en er wat aan doet. Jakob die in een reddeloze positie verkeert, maar God keert die ten goede.

 

Van de deelnemers aan een recente studie in de Verenigde Staten (en ik vrees dat de resultaten hier niet anders geweest zouden zijn) geeft tweederde aan dat mensen worden verzoend met God door hun eigen initiatief. God reageert op onze belangstelling voor Hem en schenkt dan zijn genade. Als wij God aanroepen wordt zijn genade en vergeving in ons leven werkzaam. En als je erover nadenkt is dat zo gek nog niet. Waarom zou God zijn genade verspillen aan mensen die toch niet in Hem geïnteresseerd zijn?

 

Het enige probleem met bovenstaande redenering is dat ‘ie ketters is. Ook na onze bekering zijn en blijven we afhankelijk van Gods trouw en zegen. Wij houden onze geestelijke hoogtepunten niet vast, net zo min als Jakob. Wij vervallen in de sleur van ons (geloofs)leven. Wij hebben eindeloos veel vragen. Wij ontsporen. Om wanhopig van te worden.

 

Maar God zoekt ons op; andersom gaat het niet. Gods trouw en zegen zien en ervaren we in Christus. Wij krijgen opnieuw uitgelegd dat er verzoening en vrede is. En God geeft de kracht voor vernieuwing. Voor weer een nieuwe start. Zonder het verwijt ‘dat dit de laatste keer is.

 

En wij ervaren Gods zegen. Opnieuw. Want de grootse fout die we kunnen maken is dat we zegen zien als een beloning voor goed gedrag. Als een prestatie van onze kant waar wel een snoepje tegenover mocht staan. Zegen is er daar waar we onszelf pijnlijk tegenkomen. Waar we onze zwakheid ervaren en erkennen.

God bevestigt Jakobs nieuwe naam Israel. De naam die het zegel is op al Gods beloften. De zekerheid dat wat God eerder in Betel beloofde (Gen. 28) in Pniël wordt vernieuwd en bevestigd. De Ene is ontfermend en genadig, lankmoedig, overvloedig in vriendschap. (Psalm 103: 8).

 

voordat ik U niet vind;

uit A.F. Troost, Wanneer ik zoek naar woorden