Preek zondag 22 februari 2015


………………………..

brood uit zijn honger

 

Alle zegen komt van boven” luidt een oud kerkelijk gezegde. Het goede komt van God. Met Jakobus 1: 17: Alle goede gave en alle volmaakte gift 
is van boven afkomstig, neerdalend van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is 
of zweem van ommekeer.

 

De grootste gave van boven is ongetwijfeld onze Heer Jezus. Hij kwam vanuit de hemel om ons te redden. En vervolgens – om ons te onderhouden – is hij ons “brood uit de hemel waar geen andere spijs bij haalt.” Geestelijk voedsel voor hemelburgers. Dat doet meteen denken aan het manna dat de Israëlieten aten gedurende hun tocht in de woestijn. Lichamelijk voedsel voor een woestijnvolk. Laten we een aantal parallellen eens bezien tussen het “hemelbrood” en het manna.

 

Maar: wat was dat manna eigenlijk? Helemaal een goed beeld krijg je er niet van. Ex. 16: 31: het is als korianderzaad zo wit, en z’n smaak is als bladerdeeg met honing! Misschien leek het wel op popcorn of zo. Je kon er overigens alles mee doen: bakken, braden, stoven enzovoort. En ook was precies voorgeschreven hoeveel je ervan moest verzamelen.

 

En waarom was dat manna er eigenlijk? Tsja, nauwelijks zes weken onderweg in de woestijn, ontkomen uit Egypte, kwam het volk Israel al drie keer in opstand. In de woestijn Sin was er gebrek aan brood en vlees. En God zond het beide. Veertig jaar zouden ze het manna eten, tot ze het beloofde land binnengingen en van de opbrengst van het land konden eten.

 

Maar nu een aantal beelden van dat manna, waarin we onze Heer – het hemelbrood – weerspiegeld zien. Lezen: Ex. 16: 14 – 22, 31; Num. 11: 7, 8; Joh. 6: 51 – 58.

 

  1. Manna viel ‘s nachts uit de hemel. Zoals de heer Jezus in de nacht naar de wereld kwam.
  2. Niemand kwam tekort en ook niemand had teveel. En je moest het voor dag en dauw verzamelen. En zo geldt voor ons dat we actief het hemelbrood tot ons moeten nemen. En wel dagelijks.
  3. Manna is wit en rein, als korianderzaad. Daarin weerspiegelt zich de reinheid en zondeloosheid van onze Heer. Hij kende geen zonde en was aangenaam voor God. En dat moet ook ons voorbeeld en ons streven zijn. Gode een welriekende reuk (Ef. 5: 2), zoals het korianderzaad lekker rook.
  4. Manna smaakte naar honingkoeken. Een opmerkelijke smaak: het wijst vooruit naar Kanaän, het land van melk en honing. De voedzaamheid van de bijbel, Gods Woord, zie je daarin terug.
  5. Manna had der kleur van balsemhars zegt Numeri. Balsemhars is extreem kostbaar en geurig. Dat was onze Heer voor zijn God en vader. En dat is hij ook voor ons: kostbaar en geurig.
  6. Manna werd met vijzels gemalen. Een beeld van de heer Jezus in zijn lijden op het kruis. De kern van ons belijden is dat we een God hebben die voor ons het lijden onderging. Door zijn striemen is ons genezing geworden.
  7. Manna smaakte naar oliegebak. In de bijbel is olie een beeld ven de heilige Geest. Nadat onze Heer in de hemel was opgenomen stuurde hij de heilige Geest naar de aarde om ons te leiden en te helpen.

 

In Johannes 6 legt onze heer Jezus zelf uit dat hij het brood des levens is. In vers 55 luidt het mijn vlees is waarachtig voedsel 
en mijn bloed is ware drank;

 

Onze gedachten gaan dan naar het avondmaal. Naar de heer Jezus die dorst had aan een kruis en honger in de woestijn. En die ons brood en wijn geeft. Die ons uitnodigt aan het avondmaal om onze dankbaarheid aan hem te tonen.

 

…………………………

drinken uit zijn dorst

Uit “Ze zullen het niet geloven

Inge Lievaart (1917 – 2012)