Preek zondag 8 februari 2015


Het heil des hemels werd ons deel alleen door Gods genade

 

Het is twintig jaar geleden dat Jakob moest vluchten om het vege lijf te redden. Laaiend was zijn broer Esau omdat Jakob hem met een slinkse streek de zegen had ontfutselt. En moeder Rebecca stuurt – om erger te voorkomen – Jakob naar haar broer Laban.

 

In twintig jaar heeft Jakob ups en downs gekend. Hij is zijn slinkse streken nooit helemaal kwijtgeraakt, maar schoonvader Laban kon er ook wat van. Als het hem echt te gortig wordt gaat Jakob er vandoor, met zijn vrouwen en bezittingen. Zijn schoonvader achterhaalt hem, maar die confrontatie doorstaat Jakob goed. Jakob trekt een grens en dwingt daarmee respect af bij zijn schoonvader. Een hele stap voorwaarts.

 

Maar toch. Op hetzelfde moment kondigt zich de grootste beproeving voor Jakob aan. Laban is nog niet vertrokken, of zijn broer Esau komt eraan. Jakob stuurt knechten naar Esau om genade te vinden in je ogen! De knechten komen terug met een simpele boodschap: aangekomen zijn wij bij je broer, bij Esau, die óók op weg gegaan is, jou tegemoet,- 
met vierhonderd man bij zich!

 

Jakob moet wel concluderen dat Esau nog even kwaad is als twintig jaar daarvoor. Hij is doodsbang. In zijn paniek verdeelt hij zijn gevolg in tweeën. Zodat de helft wellicht overleeft als Esau wraak komt nemen.

 

Maar ook doet Jakob iets wat hij niet zo veel deed: hij bidt tot God. Hij bidt om redding. Hij erkent zijn falen tegenover God En herhaalt Gods eerdere beloften aan hem: ‘goed, heel goed zal ik het met je maken; 
je zaad zal ik maken als het zand van de zee, 
dat niet te tellen is zo veel!’

 

Jakob zou Jakob niet zijn als hij toch niet nog wat probeerde: in drie cohorten stuurt hij vee en geschenken aan Esau om hem alsnog gunstig te stemmen. Maar of hij er werkelijk wat van verwacht is de vraag: hij brengt zijn directe familie – vier vrouwen en elf kinderen – in veiligheid aan de andere kant van de rivier de Jabbok. Maar zelf blijft hij achter.

 

Vluchten helpt hem niet meer. Hij kan aan zijn verleden niet ontsnappen. Jakob moet in het reine komen met dat verleden. Maar dan gaat het niet meer om Esau. Hij moet de confrontatie aan met Iemand aan wie hij niet kan ontkomen. Die hij niet met geschenken kan paaien. Jakob kan niet anders dan zelf de verantwoordelijkheid nemen voor al zijn daden.

 

En dan begint er een man met Jakob te vechten. Urenlang, totdat het morgenrood opklimt. Zou Jakob gedacht hebben dat het Esau was? De strijd is gelijkwaardig. De ander weet niet te winnen, maar ontwricht wel Jakobs heup. De ander wil de strijd beëindigen en zegt laat me los, 
want het morgenrood is opgeklommen;

 

Maar Jakob incasseert de overwinning niet. Hij beseft heel goed dat hij niet de overwinnaar is, wat de ander ook zegt. Met de woorden ik laat je niet los tenzij je me zegent! erkent Jakob zijn overwinnaar en erkent hij tevens zijn absolute afhankelijkheid van de ander.

 

Die ander lijkt er eerst niet op in te gaan. Maar daagt Jakob uit, en vraagt hoe is je naam?- 
en hij zegt ‘Jakob’,- hij licht de hiel! Jakob kan niet anders dan zijn failliet erkennen.

En dan draait alles om. Hij krijgt een nieuwe naam. Het verleden heeft voor God afgedaan. In de naam ‘Israël’,- vechter met God! ligt Gods aanvaarding van Jakob opgesloten. Inclusief de aanvaarding van heel zijn verleden (Rom. 8: 28).

Als Jakob dan de naam van de ander vraagt zegt die zoiets als ‘vraag niet naar de bekende weg!’ En zegent Jakob. Hoe heeft Jakob niet gevochten, gelogen, geïntrigeerd en gemanipuleerd om de zegen te krijgen. De zegen die God steeds herbevestigde. En hier aan Jakob geeft.

 

Zegen is niet een beloning voor ons goed gedrag. Zegen geschiedt waar we onszelf pijnlijk tegenkomen. Veelal eerder op een dieptepunt dan op een hoogtepunt in ons leven. Zegen is geen verdienste. Zegen is louter genade. Jakob dwingt zijn eigen recht niet meer af. Hij moet zijn faillissement erkennen. En dan zegent God. Als vluchten niet meer kan.

 

Wij werkten en wij wonnen veel, maar alle winst bleek schade