Preek zondag 18 januari 2015


Alleen bij God is stilte voor mijn ziel, 


 

Stilte.
Weldadige stilte. Beklemmende stilte. Op vele manieren en plaatsen komt de stilte in de bijbel aan de orde. Een paar citaten uit de bijbel over stilte.

 

Psalm 22: 3 O mijn God!’- roep ik bij dag, gij antwoordt niet,- de nacht door, 
maar tot stilte kom ik niet! Job 3: 26 Ik heb geen vrede, ik ben niet kalm geworden, ik heb geen rust gevonden: beroering is op komst! De stilte waarin Jobs drie vrienden bij hem zitten is indrukwekkend. Job 2: 13 Ze zitten bij hem neer op de aarde,- 
zeven dagen en zeven nachten, 
en geen die een woord tot hem spreekt, 
want ze hebben gezien 
dat de pijn zeer groot is. Maar troosten doet het Job niet. Als het stormt in je hart is er geen stilte. De echte stilte zit van binnen, net als de echte onrust. En helemaal wanhopig word je wanneer in zo een situatie God niks van zich laat horen. Psalm 83: 2 O God, gun u geen rust, blijf toch niet zwijgen, houd u niet afzijdig, God!

 

Psalm 65: 2 U komt toe stilheid, een lofzang!, 
o God op Sion; aan u worde betaald een gelofte. En psalm 127: 1, 2 Als de Ene een bouwwerk niet bouwt, vergeefs zwoegen daaraan zijn bouwers; ✡ 
als de Ene een stad niet bewaakt, 
vergeefs wacht dan een waker. Vergeefs dat ge vroeg opstaat, 
laat pas gaat zitten, en eet het brood der smarten: want hij geeft aan zijn liefste de slaap.

Kun je God dwingen rekening met je te houden? Kun je hem door je daden en werken, door welke inspanningen en ontzeggingen dan ook, aan je verplichten? Van God iets krijgen is altijd genade; hij schenkt het in de slaap. David begreep dat niet in psalm 22. Wel in psalm 65. En helemaal in psalm 131: Ene, niet hoogmoedig is mijn hart, 
niet hovaardig zijn mijn ogen, niet heb ik mij bewogen 
in dingen te groot, te wonderlijk voor mij. Nee, bedaren liet ik, verstillen 
mijn ziel 
als een gespeend kind bij zijn moeder, als een gespeend kind rust mijn ziel bij mij.

David zegt zoiets als ‘God, maakt u het dan ook maar uit.’ En dat is geen doffe berusting. Maar overgave.

 

Van twee Nederlandse dichters citeer ik hieronder een gedicht. Het bovenste (De moerbeitoppen ruischten) is van Nicolaas Beets. Beets was oud toen hij het schreef. Dacht hij aan zijn dood? God toefde. Ongelooflijk woord. God gaf hem alles wat hij nodig had.

Het onderste vers (Wanneer ik zoek naar woorden) is van André Troost. Hij verloor een kind – Hanneke, ze was vijf en had kanker. Zelf schrijft hij: Een half jaar heb je dapper tegen de kanker in je buik gevochten. Tevergeefs. Honderden gebeden bleven onverhoord. In het voorjaar, toen de vogels begonnen te fluiten en de bloemen begonnen te bloeien, gaf jij de strijd op.’ En ook ‘Ik dank de hemel, dat onze tranen om jou het leven niet zo donker hebben gemaakt dat we God niet meer konden zien.’

Honderden gebeden bleven onverhoord. Pijn. Verdriet. En dan zo’n gedicht. Niet bang in de stilte. Alsof ook hij de moerbeitoppen hoort ruisen.

 

 

‘De moerbeitoppen ruischten;’

God ging voorbij;

Neen, niet voorbij, hij toefde;

Hij wist wat ik behoefde,

En sprak tot mij;

 

Sprak tot mij in de stille,

De stille nacht;

Gedachten, die mij kwelden,

Vervolgden en onstelden,

Verdreef hij zacht.

 

Hij liet zijn vrede dalen

Op ziel en zin;

‘k Voelde in zijn’ vaderarmen

Mij koestren en beschermen,

En sluimerde in.

 

De morgen, die mij wekte

Begroette ik blij.

Ik had zo zacht geslapen,

En Gij, mijn Schild en Wapen,

Waart nog nabij.

 __________________________________________________________________________________

 

 

Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind,

dan weet ik: Heer, Gij horde één stem: uw eigen kind.

Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed;

mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed.

 

Wanneer ik zoek naar zinnen en bid om een gebed,

niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet,

dan roep ik mij te binnen uw stem, o Christus Gij,

Gij zult eens overwinnen de tegenstem in mij.

 

Wanneer ik zoek te zeggen al wat er in mij leeft,

maar zich niet uit laat leggen en zich niet open geeft,

dan ben ik al gevonden voordat ik U niet vind;

dan bidt met duizend monden de Geest, vol vuur en wind.

 

Wanneer ik zoek naar woorden is uw Woord mij genoeg;

dat Woord, dat wij eens hoorden, dat Woord, dat mij al droeg,

dat zal mij blijven dragen – mij maakt geen stilte bang;

slechts dit wilt Gij mij vragen: dat ik naar U verlang.

 

 

mijn redding 
komt van hem.

Psalm 62: 2