Preek zondag 16 mei 2010


Nee, ge hebt volharding nodig,….

Hebr. 10: 36a

We zongen en lazen over de zekerheid van het geloof. Een zekerheid die niet vastligt in onszelf, maar in Christus. Hebreeën 11 is een bijbelhoofdstuk dat ons een indrukwekkende lijst van gelovigen voorstelt die op het geloof hun bestaan grondden. Geloof viert de werkelijkheid van wat wordt gehoopt, staat treffend in vers 1. “Als ik het maar zeker wist, zou ik wel geloven” horen we nogal eens zeggen. Maar zo werkt geloof natuurlijk niet. Zoiets lezen we ook in Romeinen 8: 24: Maar hoop die het gehoopte al kan bekijken is geen hoop; als iemand het al kan bekijken, wat zal hij ook hópen? Het geloof ziet een werkelijkheid die eerst later feitelijk wordt gerealiseerd. En daarvan getuigt Hebreeën 11.

Het gaat – als gezegd – om doodgewone mensen. Mensen die God onvoorwaardelijk vertrouwden. Voor wie het geloof reëel en je zou bijna zeggen alledaags was. Hun geloof bleef zeker niet steken in het aanvaarden van een stuk of wat abstracte principes.

Geloof heeft veel, zo niet alles, van doen met gehoorzaamheid. Met het doen wat God van je vraagt. Met het maken van zichtbare keuzes in je leven. Gebaseerd op een onvoorwaardelijk geloof in God.

Een evenwichtskunstenaar spande een koord over een diepe kloof. En kondigde aan dat hij daar overheen zou lopen. Zonder vangnet. Langs de rand van de kloof stond het aan weerszijden zwart van de mensen. Toen de man aan de overkant kwam applaudisseerde iedereen. “Geloven jullie dat ik er ook op een fiets overheen kan rijden?” vroeg hij de menigte? “Ja!” brulde de meerderheid. Waarop hij het kunststukje herhaalde op een fiets.

“En met een bakfiets plus een zak aardappelen daarop?” daagde hij uit. Opnieuw grote bijval. En ook dat maakte de man moeiteloos waar. Toen vroeg hij: “Lukt ’t me ook met iemand van jullie voor op de bakfiets?” Niemand twijfelde eraan dat ‘ie dat zou presteren.
Toen vroeg de man: “Wie meldt zich aan als passagier?”

Het bleef stil.

Voor een christen gaat het erom zijn geloof te laten blijken uit zijn gehoorzaamheid. Uit zij daden. Mattheüs schrijft (7: 24 ev): Ieder dus die deze woorden van mij hoort en ze doet, zal gelijken op een bezonnen man, die zijn huis bouwt op de rots: het gaat erom dat we Gods wil uitvoeren. Bezinnen wij ons daar nog wel eens op? Voelen we de spanning tussen leer en leven, als we naar onszelf kritisch kijken? Heeft de Heer werkelijk gezag over ons leven? In Hebreeën 11 worden geen foutloze robot-gelovigen ten tonele gevoerd. Menige geloofsheld heeft forse steken laten vallen, zoals blijkt uit andere passages. We hoeven – en moeten – dus de moed niet te laten zakken als het ons eens niet lukt. We moeten beseffen dat we niet alleen maar door de Dode Zee zijn getrokken waar we Christus zien die voor ons stierf en ons eeuwige zaligheid verwierf. Maar we moeten beseffen dat we ook door de Jordaan moeten trekken, waar wij met Christus sterven. Ten tijde dat Israël het beloofde land binnentrok waren er heel wat die ervoor kozen aan de veilige kant van de Jordaan te blijven. Veel te gevaarlijk en vermoeiend, de strijd om het land in bezit te nemen.

Geloofsgehoorzaamheid is een heel christelijk begrip. God wil zich aan ons openbaren. Hij snakt ernaar dat wij Zijn liefde beantwoorden.

Laten we ons aan Hem overgeven. Met alles wat we hebben. Dat is wat Hebreeën 11 ons voorhoudt. Dat zwakke en feilbare mensen, die van God alles verwachten en Hem gehoorzaam zijn, in Zijn diens tot ongelooflijke prestaties komen. Die bouwen aan het koninkrijk. Niet als met hout, hooi of stoppels, maar als met goud en zilver.

Laten daarom dan ook wij,…… met volharding de wedstrijd lopen die voor ons ligt

Hebr 12: 1