Preek 17-01-2010


Niet beweeg ik mij in dingen te groot, te wónderlíjk voor míj.

Psalm 131

Als onze Heer naar Golgotha gaat denkt Satan dat hij dat knap heeft geregisseerd. Als Pilatus zijn handen in onschuld wast en Jezus wordt veroordeeld meent Satan dat hem de overwinning niet meer kan ontgaan. Daarmee echter werd zijn eigen uiteindelijke ondergang bezegeld. Toen door het heelal klonk ‘Het Is Volbracht’ was zijn nederlaag daar. Satan dacht de macht te grijpen. Maar besefte niet dat juist in het sterven van Jezus zijn nederlaag lag. Jezus, de lijdende knecht, zoals Jesaja hem beschrijft: “had … geen gestalte en geen luister; wij zagen hem aan, maar hij had geen aanblik dat wij hem begeerd zouden hebben.”
Maar in die gestalte daalde hij af tot in de dood, en versloeg de dood.

In de film ‘In de ban van de ring’ zie je dezelfde christelijke thematiek:

De hoofdpersoon, de Hobbit Frodo Balings, krijgt van zijn oom Bilbo Balings een gouden ring. Dit blijkt een ring te zijn die grote macht in zich draagt, gesmeed door Sauron. Sauron, die al het kwade in Midden-aarde vertegenwoordigt, kan alleen verslagen worden door de Ring te vernietigen. De enige plaats waar dit gedaan kan worden is het vuur van de Doemberg, waar de Ring ook door Sauron gesmeed werd.

Aan het eind van het verhaal gaan de legers van het westen in de aanval, om de aandacht van Sauron te trekken en zo Frodo de kans te geven ongemerkt bij de Doemberg te komen..

Frodo en Sam kunnen ongemerkt verder in Mordor doordringen doordat Sauron zijn oog op de vechtende legers heeft gericht. Ze bereiken inderdaad de Doemberg. Op het allerlaatste moment wordt Sauron hen gewaar. Op dat moment beseft hij dat hij zijn nederlaag niet op het slagveld leed. Dat daar ook niet de werkelijke strijd werd gevoerd. Maar dat twee zwakke jongens hem van zijn macht beroven. Dat hij zich dramatisch vergiste. Dat zijn einde daar is.

En zou dat ook niet voor ons christenen van vandaag gelden? Dat ook onze dagelijkse strijd niet in grote macht en kracht wordt gestreden, maar dat in het kleine onze overwinning ligt? Onopvallend. Maar trouw. Angstig. Maar toch volhardend. Trouw aan onze aanvoerder, die heel goed weet wat we aankunnen?

Zoals in een andere film – ‘Het betoverde land achter de kleerkast’, een sprookje – een soortgelijk thema heeft. Vier kinderen (Peter, Edmund Lucy en Susan) komen in een wereld terecht waar de strijd tussen goed en kwaad – tussen de leeuw Aslan (Jezus) en de Witte Heks (satan) – wordt gevoerd. Eén van hen – Edmund – raakt onder de betovering van de Witte Heks en wordt daaruit ternauwernood bevrijd.


Na enige tijd verschijnt de Witte Heks. Ze zegt dat volgens de ‘Verborgen Kracht’ iedere verrader aan haar moet worden uitgeleverd, en ze eist Edmund terug. Aslan bespreekt dit onder vier ogen met de Witte Heks en maakt vervolgens bekend dat de Witte Heks haar eis heeft laten vallen. Hij zegt niet welk tegenaanbod hij heeft gedaan.

Die nacht verlaat Aslan zijn tent en gaat naar de Witte Heks. Lucy en Susan volgen hem, maar op een zeker moment zegt Aslan dat de meisjes niet verder mee kunnen. Ze moeten zich verbergen en zich vooral niet laten zien, wat er ook gebeurt.

Aslan komt nu bij de Witte Heks, die een menigte afzichtelijke monsters heeft verzameld. Zonder dat Aslan zich verweert, wordt hij vastgebonden, kaalgeschoren, gemuilkorfd en op een Stenen Tafel met een stenen mes gedood. Triomfantelijk roept de Witte Heks dat het leger van Aslan nu eenvoudig verslagen kan worden, en dat ze alle vier de kinderen kan doden.

Als de Witte Heks met haar leger weg is, gaan de meisjes naar het lichaam van Aslan om hem te bewenen. Op het moment dat de zon opkomt en de meisjes in het licht kijken, klinkt er een luide knal. De meisjes draaien zich om; ze zien dat de tafel gebroken is en dat Aslan levend voor ze staat. Het is een Verborgen Kracht van nog voor het begin van de tijd, legt Aslan uit, dat iemand die zichzelf opoffert voor een ander, niet blijvend gedood kan worden.

In de rest van het verhaal worden de vier kinderen van bange wezentjes langzamerhand tot dappere strijders. Ze strijden hun strijd. Maar hebben geleerd dat de overwinning al is behaald. En dat daarin ook hun strijd voor de goede zaak al een gegarandeerde uitkomst heeft. Ze worden Aslan’s medestrijders. Door op hun eigen terrein en naar hun eigen vermogen bij te dragen. Uiteindelijk worden ze tot koningen gekroond.


En zou ook dat niet voor ons christenen van vandaag gelden?

Dat moed de bereidheid is om, hoewel angstig, toch te handelen