Preek 3-1-2010


Kiest u dan heden wie ge dienen zult

Aan het einde van zijn leven, als hij het volk Israël in het beloofde land heeft gebracht, houdt Jozua een grote afscheidsrede (Jozua 23 en 24). Het land was nog niet compleet veroverd. Er was nog werk te doen. Jozua haalt in hoofdstuk 24: 13 Gods woorden aan:

ik gaf u een land waarvoor je je niet hebt vermoeid, en steden die gij niet hebt gebouwd,- dáárin heb ge u neergezet; wijngaarden en olijfbomen die ge niet hebt geplant, daarvan eet ge!-
In het volgende vers gaat Jozua verder:

nu dan, vreest de Ene, en dient hem in gaafheid en in trouw; verwijdert de goden die uw vaderen hebben gediend aan de overzij van de Rivier en in Egypte, en dient de Ene;

Opmerkelijk: waar kwamen die Egyptische goden vandaan? Hadden de Israëlieten die al die tijd meegesjouwd, terwijl ze toch Gods goedheid almaar zagen en daarvan profiteerden?

Maar hoeveel van die afgoden hebben wij eigenlijk? Hoe vaak stellen wij onszelf, onze verlangens en wensen voorop, in plaats van God te dienen?

In Richteren hoofdstuk 1 zien we hoe het met het volk Israël verder ging. Benjamin, Manasse, Efraïm en Manasse weigerden de door God opgedragen taak uit te voeren. God had immers geboden al de volken in het beloofde land uit te roeien. Maar dat deden deze vier stammen niet.
Aser woonde tussen de Kanaänieten. Dan weet zelfs de toegewezen plek niet te behouden en wordt door de Kanaänieten teruggedrongen.

Met ons kan het evenzo verlopen. Door de wereld niet te oordelen zullen we uiteindelijk een deel van die wereld worden. En uiteindelijk zal de wereld bepalen wat we doen, en hebben we onze christelijke zeggenschap daarover opgeofferd.

In Richteren hoofdstuk 2 komt de Engel van de Heer vanuit Gilgal ( = plaats van de besnijdenis, van nieuw leven) naar Bochim ( plaats van jammerklacht). En tenslotte maakt God elke terugkeer onmogelijk: vers 20 en 21:

Dan ontbrandde de toorn van de Ene tegen Israël,- en zei hij: omdat zij, dit volk, mijn verbond dat ik hun vaderen heb geboden hebben overtreden en niet hebben gehoord naar mijn stem, zal ik ook niet doorgaan iemand te onterven voor hun aanschijn,- van de volkeren die Jozua heeft nagelaten toen hij stierf!

Wij kunnen misschien lering trekken uit de oproep die aan het eind van de bijbel staat:

Hij die dit betuigt zegt: ja, ik kom spoedig! Amen, kom Heer Jezus! Al 2000 jaar geldt dat Jezus spoedig komt! Verwachten we Hem? Richt die verwachting onze “handel en wandel?”

Of worden we beter weerspiegeld door de personen uit het volgen de gedicht?

Kom haastig!


‘Kom haastig, Jezus!’ bidt de predikant.
‘Ja, Amen,’ zegt een boer, ‘wil spoedig komen!
Maar na de oogst, want van m’n nieuw stuk land
heb ik nog nooit de opbrengst waargenomen.’

‘Ja, Amen,’ zegt Mevrouw, ‘maar mag ik voor
De bontjas die ik gisteren zag hangen
Eerst sparen en hem aandoen, als het Koor
Een avond geeft in ‘Christ’lijke Belangen?’

‘Ja, Amen,’ zegt het kind, maar nu nog niet,
Ik moet nog met vakantie naar de bossen.
Maar ik zal zwaaien, zodat U het ziet,
Als U ons onder schooltijd komt verlossen.’

‘Kom haastig, Jezus!’ bidt de predikant.
‘Maar mag ik eerst die nieuwe lezing lezen,
Die ik gemaakt heb voor het Jeugdverband
Over ‘Gij zult het wel verstaan na dezen’?

De beden komen in de hemel aan.
De cherubijnen zwijgen, die ze brachten.
En Jezus vraagt: “Kan Ik vandaag al gaan?’
Zijn Vader zucht: ‘Ge moet nog even wachten.’

Okke Jager, ‘Worden als een kind’, 1954


Kom haastig, maar niet te snel………….