Preek 27-12-2009


Het is zaliger te geven dan te nemen!

Hand. 20: 35b

Goede doelen zijn niet van de televisie weg te slaan. En je kunt zelfs een test doen om te bepalen welke goede doelen bij jou passen. “Zonder u geen Unicef” kopt de gelijknamige site.

Ook in de bijbel worden we opgeroepen goede doelen te steunen. Paulus schrijft daar één- en andermaal over. En dan gaat het niet maar om een randverschijnsel. Om een aardigheidje. Paulus hecht kennelijk heel grote waarde aan de financiële steun die gelovigen geven aan behoeftige christenen en aan degenen die hun dienst voor God verrichten en voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de giften en gaven van hun medegelovigen.

Als Paulus in de gevangenis geld krijgt van de gelovigen in Philippi is hij daar geweldig blij mee. En hij betiteld de gave als (4:18) “een welriekende reuk”(zie ook Ex 29:18) een aangename offerande, welbehaaglijk aan God. Paulus beschouwt de gelovigen uit Philippi als medestrijders in het evangelie. Hij weet en voelt zich geweldig door hen gesteund. Ook vandaag de dag kunnen zendelingen “aan het front” niet zonder een biddende en geven de achterban. Steun en bemoediging is van onschatbaar belang. Zou Paulus’ bediening wel zo krachtig geweest zijn als er niet zo heel velen achter hem gestaan hadden? En wie staan er vandaag de dag aan het evangeliefront? Kennen we ze? Laten we hen in woord en daad weten dat we achter ze staan?

Op zijn derde zendingsreis heeft Paulus het een aantal keer over de inzameling van gaven.

Vanuit Korinthe schrijft hij aan de gelovigen in Rome dat hij hen graag wil zien, maar dat hij eerst naar Jeruzalem gaat om de gaven te brengen die zijn ingezameld voor de gelovigen daar (Rom. 15: 23-28). In Hand 20:22, 23 lezen we dat Paulus zich zeer bewust is van de gevaren die er in Jeruzalem op ‘m wachten. Maar hij laat zich niet afschrikken, en in hoofdstuk 21 lezen we dat hij daadwerkelijk gevangen genomen wordt. De menigte schreeuwt “weg met hem” (21:36), zoals eerder tegen Jezus!

In 2 Korintiërs 8 vinden we een andere passage waarin Paulus met passie schrijft over het inzamelen van gaven voor Jeruzalem. De gelovigen in Korinthe zijn daarmee begonnen. Zijn ze daarmee ook doorgegaan?, zo vraagt Paulus (8:10)? Hij roept op om te geven naar vermogen.

In hoofdstuk 9 spoort hij de Korintiërs nog eens aan om de gaven in orde te maken (9:5), en dat als dankzegging en niet als een gift uit gierigheid. Want, zegt Paulus, God immers had werkelijk en zonder reserve alles voor ons over (9:15).

Vrijgevigheid, mededeelzaamheid en offerbereidheid horen ons als christenen te kenmerken. Zoals David – gevolgd door de stamhoofden van Israël – extra gaf voor de bouw van de tempel (1 Kron. 29: 1-16).

En ontroerend bijna blijft het om te zien hoe onze geestelijke dankzegging aan God omwille van zijn werk op één lijn staat met de gaven die we geven ten nutte van de verspreiding van het evangelie. Hebr. 15: 15, 16 en 2 Kor 9: 12 zeggen dat zo:

Laten wij dan door hem aldoor aan God een lofoffer opdragen, dat is: de vrucht van lippen
die zijn naam belijden. Maar vergeet de weldadigheid en de gemeenschappelijkheid niet;
want in zulke offeranden heeft God een welgevallen.

…,omdat het dienstbetoon, vervat in deze eredienst, niet slechts de tekorten van de heiligen
áánvult, maar ook overvlóedig is in dankzeggingen aan God door velen,-

 


Wie met dankzeggingen zaait, zal ook met dankzeggingen oogsten

2 Kor. 9:6b