Preek 13-12 2009


Liefde laat haar lot niet aan lotswisseling verbinden

William Shakespeare, sonnet 116

Bestaat er een maat voor liefde? Kun je de omvang ervan in een getal uitdrukken? En als het om Gods liefde gaat? Waar vindt die zijn grenzen? Gods liefde is zonder grenzen! Johannes 3: 16 zegt dat zo:

Want zozeer heeft God de wereld liefgehad dat hij de Zoon, de eniggeborene, gegeven heeft,-

Het verhaal van ons mensen is maar al te bekend. Willens en wetens liepen we bij God vandaan. En een rechtvaardige God die de zonde niet kan zien laat weten dat ieder die in hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig leven mag hebben. God overbrugde de kloof die wij maakten van Zijn kant. Uit liefde. En 1 Joh. 3: 1 onderstreept dat nog eens: Ziet welk een liefde de Vader ons heeft gegeven, opdat wij werden uitgeroepen tot kinderen Gods,- wat we ook zijn!

Op Gods liefde staat geen maat. We hebben een Vader die voor ons zorgt. Die ons door de toekomst zal leiden. Die heel de wereldgeschiedenis in de hand heeft; een geschiedenis die we voor onze ogen zich zien ontrollen. Johannes 3: 16 geldt nu echter nog onverkort.

Als iemand alles voor je overhad, ben je zo iemand dus dank verschuldigd. Als Christus ons kocht met zijn leven, dan zijn we nu zijn eigendom geworden. En dat brengt veranderingen met zich mee. In de bijbelboeken Exodus en Numeri zien we daarvan heldere beelden.

Al de eerstgeborenen in Egypte stierven bij de tiende plaag. Maar de Israëlische eerstgeborenen schuilden achter het bloed. God droeg Mozes op (Ex 13:1): heilig voor mij elke eersteling, splijter van elke moederschoot bij de zonen Israëls, bij de mens en bij het dier; voor míj is die!

Dan trekt Israël de woestijn in. En wordt het volk geteld. Het hele volk? Nee. Er is een stam die God niet geteld wil hebben: de stam van Levi (Num. 1: 47). Zij hadden een aparte plaats bij God. En kregen de opdracht voor de tabernakel met al haar gerei te zorgen.

Waar kwam die bijzondere plaats vandaan? Toen Mozes met de twee stenen tafelen – waarop de wet stond gebeiteld – het volk tegemoet trad (Ex. 32, 11; 25 – 29), bleek het volk een gouden kalf te hebben verkozen boven God zelf. Mozes stelt zich op in de poort van de legerplaats en zegt: wie voor de Ene is: naar mij toe! Dan verzamelen zich bij hem alle zonen Levi.

Voor God namen de Levieten een bijzondere plaats in. Door hun onvoorwaardelijke en ongeclausuleerde trouw aan hem. Daarom wijdde God hen aan de priester Aäron, een beeld van God zelf ( Num. 3:9): De Levieten zul je geven aan Aäron en aan zijn zonen; gegeven, weggegeven zijn zij aan hem vanuit de zonen Israëls.

God gaat nog een stapje verder: Hij had alle eerstgeborenen voor Zich apart gezet. Hij had recht op hen, vanaf de uittocht uit Egypte. Maar God geeft die unieke plaats aan de Levieten (Num 3:12): ik, ziehier, ik heb de Levieten genomen van onder de zonen Israëls, in plaats van elke eersteling die de moederschoot splijt,- uit de zonen Israëls; wezen zullen zij voor mij, die Levieten!

De Levieten waren er om voor alle gerei van de tabernakel te zorgen. Ze waren voor Gods lofprijzing verantwoordelijk. En die plaats kregen ze omwille van hun onvoorwaardelijke trouw aan God.

En wij? Snappen wij dat God ons van eerstgeboren zonen – een plek die je door geboorte toevalt – wil maken tot Levieten? Dat God met alle verlangen wil dat er mensen zijn die Hem werkelijk en onvoorwaardelijk volgen en aanbidden? Die alle reserves laten varen. En van wie de toewijding aan God geen grenzen kent? Een toewijding die begint zodra je bekeerd bent. Waarvoor niet een wachttijd of ervaringstijd bestaat. Gods lof zingen is de roeping van elke christen. Laten wij ons roepen tot Levieten? Of blijven we liever eerste zonen, en houden we ons wat afzijdig?

Gaan we onverkort voor God?

wie voor de Ene is: naar mij toe!