Preek zondag 2 november 2014


 

Ene, niet hoogmoedig is mijn hart, 
niet hovaardig zijn mijn ógen,

Loof de Heer, mijn ziel” zongen we. De Heer Jezus heeft een dubbel recht op ons. Hij heeft een recht als Schepper en hij heeft een recht als Redder. Hij heeft ons gekocht met zijn bloed uit elke stam, taal, volk en natie.

De Emmaüsgangers hadden dat niet begrepen. Toen heeft de Heer hun de Schriften geopend en hen laten zien dat de Christus alles wat er gebeurd was moest doormaken en ondergaan. De beide wandelaars openden hun huis voor Hem en herkenden hem in het avondmaal waar Hij het brood nam, zegende, het brak en aan hen gaf.

De Joden in het oude testament kregen in de woestijn veertig jaar zes dagen in de week het manna uit de hemel. Slechts een klein deel van hen mocht uiteindelijk het beloofde land binnentrekken. Het manna was een aards voedsel.

En dan zegt de Heer: Ik ben het brood des levens. Dat brood heeft te maken met de tarwekorrel die in de aarde valt en eerst dan vrucht voortbrengt. De heer Jezus moest lijden, om daarmee ons deel te laten hebben aan het eeuwige leven dat in God zelf is. De heer Jezus werd gebroken aan het kruis om aan ons het eeuwige leven te geven. Zonder Middelaar kunnen wij niet voor God verschijnen.

In de brief aan de mensen in Efeze zien we een prachtig beeld van wie we geworden zijn.

In hoofdstuk 1 zijn wij heilig en uitverkoren van voor de grondlegging van de wereld. Onze rechtvaardiging heeft niets te maken met onze prestaties. Ze ligt vast in God alleen. Genade is het.

In hoofdstuk twee zijn we huisgenoten van God. God woont in de individuele gelovige en in zijn gemeente als geheel.

In hoofdstuk drie verkondigd Paulus de liefde van God die ook de heidenen deelachtig wordt.

Hoofdstuk vier beklemtoont dat we leden zijn van één lichaam. En niets kan tussen ons als leden van dat lichaam scheiding brengen.

Hoofdstuk vijf beschrijft ons als bruid van Christus.

En in hoofdstuk zes stelt onze functie als soldaat van Christus aan de orde.

God houdt van al zijn schepselen. En daarom moeten ook wij dat doen, zonder onderscheid te maken.

In Jesaja zes komt de profeet oog in oog te staan met God. Dat gebeurt in het jaar dat koning Uzzia stierf. Uzzia was de langst regerende vorst van het rijk. Zijn regering begon heel goed. Maar in 2 Kron. 26: 16 lezen we dat Uzzia hoogmoedig werd tot zijn eigen verderf. Hij wilde in zijn hoogmoed naast koning ook priester zijn. Melaatsheid was zijn straf en hij stierf in een apart staand huis, afgesneden van Gods huis.

Jesaja wist dat, en dacht dat zijn laatste uur geslagen had toen hij oog in oog met God stond. Maar dan komt er een engel die zijn lippen aanraakt met een gloeiende kool. Zijn zonden worden zo weggedaan. En Jesaja beantwoordt de oproep “Wie zal er voor Ons gaan” met een gelovig Zie hier ben ik, zend mij.

Zoals Jesaja God zag, zien wij met het oog van de Geest ook God. Van heerlijkheid tot heerlijkheid. En ook onze zonder zijn verzoend. Omdat er een Middelaar is.

Als we dan beseffen dat we alles voor niks hebben gekregen, laten we dan ook alle hoogmoed achterwege laten. Laten we dagelijks bidden Heer, houd me klein. Dat psalm 131 waar mag zijn in ons dagelijks leven. En  we als leden van één lichaam elkaar lief zullen hebben.

niet heb ik mij bewogen
in dingen te groot, te wónderlijk voor mij.