Preek zondag 28 september 2014


0 false 21 18 pt 18 pt 0 0 false false false /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin;}

De gestolen zegen

God is met Jacob in de weer om hem te brengen tot het doel dat Hij bepaalde. Maar als er één hoofdstuk in de geschiedenis is waar we daarvan helemaal niets zien, is dat toch wel Genesis 27. Als je een geschiedenis zoekt van een gezin dat z’n uiterste best doet om zichzelf compleet te gronde te richten ben je hier aan een goed adres. De puinhoop kon niet veel groter zijn.

En dat terwijl in hoofdstuk 26 – vanuit het Jacob-perspectief een tussenhoofdstuk – het aartsvader Isaäk voor de wind gaat. Ondanks een uitglijer als hij Isaäk Rebecca voor zijn zuster laat doorgaan (weinig geleerd van de escapades van zijn vader Abraham). God zegent hem (: 4 en 34). En het gaat ook economisch goed: als Isaäk zaait oogst hij honderdvoud. De Filistijnse vorst Abimelech erkent dat Isaäk ‘de gezegende de Heren’ is. Een prachtig getuigenis.

En dan komt hoofdstuk 27. Isaäk voelt zich oud; hij is blind en denkt niet lang meer te leven te hebben. (Daar vergiste hij zich overigens in: na deze geschiedenis leefde hij nog meer dan veertig jaar!). Jacob en Esau zijn volwassen mannen van meer dan zeventig jaar.

Isaäk acht de tijd gekomen om zijn zegen te geven aan zijn oudste zoon. Overleggen doet hij dat niet. Niet met Rebecca. En niet met God. En ook geeft Esau’s eigengereide gedrag hem kennelijk geen stof tot nadenken. Isaäk – dol op zijn oudste zoon – gaat volstrekt zijn eigen gang. Laat zijn geloof er buiten. Een menselijk trekje, herkenbaar ook voor christenen van vandaag.

Isaäk draagt Esau op om op jacht te gaan en een stuk wild te schieten en klaar te maken. Daarna zal hij zijn zoon zegenen.

We kennen het vervolg. Rebecca – met haar talent om altijd op de goede plaats te zijn – heeft alles gehoord en ontwerpt een tegenplan. Jacob moet zich vermommen als Esau. Zijzelf zal een gerecht maken van twee geitenbokjes. En de verklede Jacob moet die zijn vader voorzetten. Om daarna de zegen te ontvangen.

De opzet slaagt volkomen. Jacob krijgt een grote zegen (: 27b – 31). En maakt zich dan snel uit de voeten: Esau is terug van de jacht.

Als hij zijn maaltijd binnenbrengt schrikt Isaäk zich lam! En hij dekt zich meteen in (; ##): de zegen is en blijft gegeven. Is onherroepelijk..

De eerder zo onverschillige Esau barst in tranen uit. ‘Zegen mij, ook mij, mijn vader!’

Onder grote druk van zijn oudste zoon komt Isaäk met een paar woorden. Met een klein lichtpuntje voor de verre toekomst. De zegen zal Esau eerder als een vloek (: 40a!) in de oren geklonken hebben. Hij is woest en zint erop Jacob te vermoorden.

Weer grijpt Rebecca en. Stuurt Jacob naar haar broer Laban. Met Isaäk overlegt (genadige toenadering tussen die twee, toch weer) ze dat Jacob daar ook een vrouw kan zoeken.

Rebecca en Jacob hadden maar één doel voor ogen. De zegen. En dat doel heiligde alle middelen, waaronder leugen en bedrog. En ook Isaäk deed wat hem goed uit kwam.

Herken ik dat? Dat ik ideeën heb over hoe het moet in de gemeente. En misschien zijn dat nog wel goede ideeën ook. Maar vervolgens volg ik een weg die van geen kanten deugt. Gebruik ik macht en intrige om zaken te ‘regelen.’ Geef ik anderen geen ruimte en snijd ze de pas af. Het doel heiligt nu eenmaal nooit de middelen. Ik kan God niet voor mijn karretje spannen.

Hoe volg ik God? Hoe dien ik Hem?

In het gezin van Isaäk en Rebecca zijn er louter verliezers. Maar God? Heeft Hij nu ook verloren? Is zijn belofte in de soep gelopen? Ook al maken wij mensen er nog zo’n grote beerput van, God verliest nooit.

Isaäk zegent Jacob, voordat die afreist (28: 4). Met de Goddelijke zegen van en aan Abraham. Daarin wordt Gods keuze zichtbaar. God werkt door aan zijn belofte. God gaat een weg van redding. Ook als wij er een puinhoop van maken. Al is het beter om er niet zo’n puinhoop van te maken natuurlijk.

Jacob vertrekt. Op een dieptepunt in zijn leven. Moet nog veel leren. Maar God stuurt hem in Zijn richting. Maar wel via tientallen jaren in ballingschap.

maakt Jacob tot gedwongen vreemdeling.