Preek zondag 16 maart 2014


0 false 21 18 pt 18 pt 0 0 false false false /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin;}

al wat hij dóet zal hém gelúkken.

De brief van Paulus aan de Romeinen is voor heel wat grote Godsmannen in de historie van de kerk een eyeopener geweest. Paulus schrijft aan een christelijke gemeente die hij niet zelf stichtte en die hij ook niet kende toen hij hen schreef. Zijn brief aan de Romeinen is daarom ook niet een antwoord op gestelde vragen. Of een reactie op signalen die Paulus ter ore kwamen.

De brief is een zelfstandige en hoogst oorspronkelijke uiteenzetting van Paulus. Hij behandelt daarin de grote vragen rond thema’s als de spanning tussen genade en rechtvaardigheid. Hij heeft het over het evangelie van de gelukkige God (naar 1 Tim. 1: 11).

In de eerste zeven verzen van Romeinen 1 stelt Paulus zichzelf voor, en schetst hij zijn hoofdonderwerp. Wij denken nogal eens rechtlijnig over het evangelie als de bekering van zonden. En daar gaat het ook om. Maar de idee die soms daar achter zit, namelijk dat Gods oorspronkelijke plannen werden gedwarsboomd door zijn onwillige in opstand komende schepselen en dat er nu onherstelbare schade is aangericht, is niet wat Paulus in deze brief schrijft. Het evangelie van de gelukkige God dat Paulus hier uiteenzet vertrekt van God die alles tot stand brengt naar de raad van zijn wil (Ef. 1: 11). Hem loopt niets uit de hand. Want God heeft hen allen opgesloten in ongehoorzaamheid om zich over hen allen te ontfermen (Rom. 11: 32). Het kwaad in de wereld is geen ‘bedrijfsongeval.’ Want God is het die sinds den beginne het einde al meldt, sinds de oertijd al wat nog niet is gedaan,- die zegt: mijn raadsbesluit houdt stand, al wat mij behaagt zal ik doen!- (Jes. 46: 10).

Van dat evangelie wil Paulus de wereld in kennis stellen. Dat is zijn apostelschap. Het vertellen van dat evangelie is voor Paulus ‘geloofsgehoorzaamheid.’ En dat hoort het ook voor ons te zijn. We moeten verslag doen van Gods plan met de wereld. En spreken van een gelukkige God.

In de verzen acht t/m vijftien vertelt Paulus dat hij heel graag naar Rome zou komen om aan de gelovigen (dat zouden wij niet zo makkelijk bedacht hebben: aan gelovigen!) het evangelie te verkondigen. Maar van God krijgt hij geen groen licht daartoe. De christenen in Rome waren wijd en zijd bekend als christen. Formidabel hoe er over hen werd gesproken. De wisselwerking tussen Paulus en de gemeente te Rome versterkte hen beiden en straalde uit naar de wereld om hen heen.

De verzen zestien en zeventien omvatten de kern van heel de brief.

Want ik schaam mij voor het verkondigde evangelie niet, want het is een kracht van God tot redding voor al wie het gelooft, én Judeeër allereerst, én Helleen. Want rechtvaardiging door God wordt daarin geopenbaard, uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat: ‘maar de rechtvaardige zal leven uit geloof’ (Hab. 2,4).

Bij het evangelie gaat het niet om afstamming (‘Jood of Griek’), maar louter en alleen om geloof. Vers 17 is wellicht het meest becommentarieerde Bijbelgedeelte ooit. Paulus stelt aan de orde hoe een mens kan bestaan voor een rechtvaardige God. Hoe kan een rechtvaardige ‘uit geloof leven?’ Over deze grondvraag van het christendom schrijft Paulus vervolgens met schier juridische precisie. En hij begint met de schuld die de mens van nature heeft bij God.

Want, zo zegt vers achttien, geopenbaard wordt vanaf de hemel toorn van God over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, God kan gekend worden, zegt Paulus. God is God, en de mens is mens. En geen mens kan ooit de Goddelijke rechten ontkennen. Het schepsel kan zijn Schepper niet ontkennen. God poneert de Waarheid, en het menselijk geweten vertelt dat. Wij mensen kunnen de waarheid niet na-denken of zelf construeren. Waarheid is van God gegeven; Waarheid is geen mensenwerk. En ‘het geloof is een wonder, anders is het geen geloof’ (vrij naar Karl Barth).

Daarnaast openbaart God zijn bestaan in de schepping zelf. Als wij mensen God ontkennen en vervolgens alles wat we zien vanuit die ontkenning gaar reconstrueren, missen we de werkelijkheid compleet. Paulus noemt dat dwaasheid. Ook mensen zonder enige christelijke achtergrond of historie kunnen van Gods bestaan weten door de schepping te beschouwen. En wij christenen van 2014 kunnen op die notie in- en aanhaken.

Het geloof in God is niet gebaseerd op een redelijk begrip van vandaag de dag. God is geopenbaard in het vlees. En daarmee moeten wij het doen. Hij is een gelukkige God: alles gelukt Hem.

wat de Ene behaagt zal door zijn hand gelukken.