Preek zondag 7 juli 2013


 

Zo komt ook de Geest onze zwakheid méé te hulp;

 

Je wist het eigenlijk al wel. En toch ook verbluft het je weer. Je (klein)kind wordt geboren. De derde. En vanaf het eerste moment houd je zielsveel van de boreling. Je hoeft er niet aan te wennen. Het neemt meteen een centrale plaats in je leven in. Je kunt bijna niet blijer zijn. Zonder reserves draag je zorg voor je kind.

 

Als Jezus onderweg is wordt hij binnengevraagd door een vrouw die Martha heet. Ze ontvangt de rondreizende groep leerlingen met hun Rabbi en voorziet ze van eten en drinken. Als haar zuster – Maria – geen hand uitsteekt om haar te helpen maar zich bij het gezelschap voegt om naar Jezus te luisteren, schiet dat in het verkeerde keelgat.

Maar Jezus berispt Maria niet. Integendeel: Maria deed juist het goede. Is dat niet om eigenlijk jaloers op te worden: heel de wereld om je heen vergeten en alleen op Jezus gefocust zijn?

 

Direct na die geschiedenis gaat Jezus bidden. Hij was gericht op God zijn vader en hield voortdurend contact met Hem. De discipelen willen dat ook wel, en vragen om instructie hoe te bidden. De Heer leert hen het Onze Vader.

 

In het verlengde daarvan volgt verder onderwijs over bidden. Eigenlijk is het onderwijs over de verhouding tussen God en ons. Lukas 11: 9, 10: ook zeg ík u: vraagt en aan u zal gegeven worden, zoekt en ge zult vinden; klopt en voor u zal worden opengedaan!- want al wie vraagt krijgt en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan!-

Bij eerste – en ook tweede – lezing denk je toch: jawel, maar niet alles wat ik bid krijg ik ook. Klopt die tekst wel? Zit er een addertje onder het gras? Lees ik het verkeerd? Beschouw ik God misschien iets te veel als een automaat waar je een gebedje ingooit om het verlangde product in het bakje te zien vallen?

En dan gaat het plotseling over de relatie tussen een vader en zijn zoon (:11) van zomaar één van u zal de zoon de vader vragen om een vis,- die zal hem toch niet in plaats van een vis een adder geven?-

Kijk, zegt Jezus, dat doet geen enkele vader natuurlijk. Vaders zijn blij met hun kind vanaf het eerste moment. Gunnen hen al het goede. En zou God de Vader dan anders zijn? Geen denken aan. God geeft misschien niet wat we vroegen. Niet gezondheid, of een baan, of wat dan ook. Maar Hij geeft wel wat we nodig hebben (: 13) als dan gij, hoe boosaardig ge ook zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal de vader uit de hemel heilige geestesadem geven aan wie hem daarom vragen!

God zelf komt in ons wonen. God de Vader geeft ons God de Heilige Geest. Hebben wij de ruimte binnen in ons hart voor die Inwoner? Mag Hij van ons de vrijheid nemen om zijn eigen plan met ons te trekken?

 

Merken we trouwens dat de Heilige Geest in ons woont? Eigenlijk wel een goede vraag om onderling eens over te praten. Dominee Paul Visser van de Noorderkerk in Amsterdam zegt het zo (NRC 7 april 2012):

 

Op onverwachte momenten werd ik aangesproken en meestal hoorde ik dan niet wat ik wilde horen. Het eerste woord was niet aan mij, maar aan Hem. Hij is de relatie met mij aangegaan, niet andersom.

Durven wij de confrontatie aan? Durven wij het aan te horen wat we niet willen horen? Durven wij te aanvaarden dat God niet een instant – geluksmachientje is, op afroep beschikbaar voor verwende christenen? Moeten wij niet ophouden om God voor ons karretje te spannen? Christendom heeft niks te maken met rozengeur en maneschijn. God is wel goed, maar niet veilig. Eerder gevaarlijk (vrij naar C.S. Lewis). Tenminste, vanuit ons perspectief dan.

Durven wij de Heilige Geest alle ruimte te geven? Hij wil ons een vreugdevol leven in Christus geven.

Maar het hak- en breekwerk dat dan wellicht nodig is kan ons tegenvallen. Dat wel.

 

de Geest zelf pleit voor ons