Preek zondag 9 juni 2013


 

In je omwálling zij vréde, wélvaart ín je paléizen!

 

Josafat (zijn naam betekent “De Heer is rechter”), was koning van Juda. Na de dood van koning Salomo scheurde Salomo’s rijk in twee delen: het koninkrijk Israel en het koninkrijk Juda. Beide koninkrijken hadden hun eigen lijn van erfelijke troonsopvolgers. De koningen van Israel gingen zonder uitzondering mee in de gebruiken en godsdiensten van de hen omringende volken. In Juda was er een aantal koningen die trouw bleven aan God en zijn geboden. Josafat was er daar één van. Hij was de opvolger van zijn vader Asa. Over zijn leven is in de Bijbel te lezen in 1 Koningen 22 en in 2 Kronieken 17-20.

De beschrijving van de geschiedenis van Josafat in 2 Kronieken begint (2 Kron. 17: 3) met de constatering dat Josafat is voortgegaan op de vroegere wegen van zijn voorvader David. Hij wilde God dienen. En God bevestigde zijn koningschap (:5). Josafat vernietigde afgodsbeelden van Baäl die in Juda te vinden waren. In het derde jaar van zijn regering stuurde hij priesters en Levieten het land in om zijn onderdanen te onderrichten in de wetten van de Thora.

Het gevolg van Josafat’s keuzes was zeer zichtbaar. Want de schrik van de Ene valt over alle koninkrijken van de landstreken rondom Juda,- en ze hebben geen oorlog durven voeren

met Josafat. De omringende rijken brengen zelfs geschenken en geld; ze hebben groot ontzag voor het toch kleine koninkrijk Juda.

Middels een huwelijk kreeg Josafat een familieband met koning Achab van Israël. Dan vraagt Achab Josafat om politieke en militaire steun. Achab wilde een oorlog beginnen tegen koning Ramot van Aram in Gilead.

Josafat aarzelt. Hij wil eerst horen wat de profeten vinden van de idee om ten strijde te trekken. Achab heeft nog wel vierhonderd profeten achter de hand en die verklaren desgevraagd eenparig klim op, God geeft het de koning in handen! Josafat heeft zo zijn bedenkingen tegen deze profeten die wel erg opzichtig laten horen wat Achab graag wil. Hij vraagt om een onafhankelijke profeet van God. En die is er: Micha, ze zoon van Jimla. Maar, zegt Achab, ik moet die man niet: ik haat hem!, want hij profeteert tot mij nooit ten goede maar al zijn dagen ten kwade. Micha doet eerst alsof hij de uitspraak van de vierhonderd profeten helemaal steunt. Maar de koning vertrouwt dat niet en zegt zoveel als ‘maak me niks wijs; spreek alleen wat God zegt.’ En dan voorzegt Micha de komende nederlaag. En legt en passant uit dat er een leugengeest in de andere profeten is gekomen.

De beide koningen gaan de strijd toch aan. En ze worden, conform wat Micha voorspelde, verslagen. Achab wordt gedood. Terug in zijn eigen rijk wordt Josafat terechtgewezen door de profeet Jehu vanwege zijn alliantie met Achab.

In 2 Kron. 20 trekken een drietal omliggende volken ten strijde tegen Josafat. En dan doet Josafat het enige wat hij eigenlijk nog kan: hij beroept zich bij God op de beloften die God deed aan zijn betovergrootvader Salomo (2 Kron. 6: 34, 35). Josafat vertelt God precies hoe slecht het er voor staat (20: 10) in aanwezigheid van iedereen, mannen, vrouwen en kinderen. En God antwoordt door de profeet Jachaziël: trekt morgen voor hun aanschijn uit,de Ene is met u! De reactie van Josafat en de mensen bij hem is verbluffend: ze buigen voor God. En prijzen hem ten hoogste met luide stem. En dat terwijl de strijd nog moest beginnen! Wat een absoluut vertrouwen spreekt daaruit!

Niet minder verbluffend is het verloop van de strijd d volgende dag. Zangers gaan voor de strijders uit en roepen ‘Brengt dank aan de Ene, want voor eeuwig is zijn vriendschap!’ De belegerende legers raken onderling in gevecht en schakelen elkaar uit! En een enorme buit is de beloning voor Juda.

Josafat betoonde zich trouw aan God. En God zegent de koning. Zo kent het koningschap

van Josafat stilte,- zijn God schenkt hem rust rondom. De strijd is over. God geeft rust.

Omwille van mijn bróeders en gezéllen spreek ik úit: ‘vréde in jóu!’