Preek zondag 25 november 2012


 

Wezen zal hij als een boom

 

Er zijn van die dagen dat alles lijkt te lukken. En dat ook nog zonder merkbare inspanning. Alles valt op zijn plaats. We danken God voor zoveel – natuurlijk onverdiende, want dat weten we wel – zegen.

 

Maar dan die andere dagen. Als er niks lukt. Wat we ook doen. Wanneer alles en iedereen zich tegen ons keert. Niets gaat er goed. Wat zeggen we dan tegen God? Zeggen we überhaupt iets tegen Hem?

 

David heeft als geen ander zijn gevoelend en emoties aan ons meegedeeld. Soms is hij extatisch van vreugde, soms krimpt hij ineen van ellende. Psalm 39 is van dat laatste een voorbeeld. David kan het gebeurde in zijn leven geen plek geven. Maar hij wil het er niet over hebben. Hij wil niet ten overstaan van mensen die van God niet willen weten zijn frustratie uiten. Maar wat er gebeurt is doet pijn aan lichaam en ziel. David wil blijven zwijgen, maar (: 4) Mijn hart gloeide binnen in mij, uit mijn verzúchting spatte vúur, aan mijn tóng ontspróng een wóord:

 

Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind,

dan weet ik: Heer, Gij hoorde één stem: uw eigen kind.

Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed;
mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed.

A.F. Troost

 

Als de sluis eenmaal openstaat komt al Davids twijfel en frustratie eruit. Zijn verwijten aan God gaan in onze ogen wel heel erg ver: ‘Wat bent u er nou voor één? U hebt de mens geschapen, als mens, niet als Uzelf, dus niet almachtig, maar beperkt en onvolkomen, niet in staat tot het louter goede, maar via vallen en opstaan en fouten maken; en hem daar dan ook nog zo genadeloos voor afstraffen?

Als zijn eerste emotie eruit is komt David tot een diep besef van wie hij is. Vers13: Hoor mijn gebed, Ene, leen aan mijn hulpgeroep het oor, blijf niet zwijgen bij mijn tranen, al ben ik een zwérver, bij u te gást, een bijwoner, al mijn váderén gelíjk! Een zwerver-te-gast! David weet zich in Gods schepping iemand die afhankelijk is van de zorg en de aandacht van de Ander. Iemand die na een zware dag onderweg tegen de avond gastvrijheid ondervindt.

De voortgang van deze psalm laat zien wat er gebeurt wanneer er na het zwijgen toch gesproken gaat worden, wanneer de tong als het ware het initiatief daartoe gaat nemen, omdat dat dieper gaat dan wil en verstand. Met andere woorden, er gebeurt niets, er verandert niets wanneer er gezwegen blijft worden, de boel binnen blijft, waar het gaat branden en telkens als een vuur oplaait.

Maar wanneer de tong, om zo te zeggen, gaat spreken, gebeurt er iets bijzonders. Het is niet zo dat David door zó, – uit de grond van zijn hart, uit de bodem van zijn ziel, – tegen God te spreken, iets bij God teweeg brengt, bijvoorbeeld dat God zou zeggen: ‘Nu ik je zo hoor heb je ergens wel gelijk, sorry’; of, ‘Hoe durf je zo tegen mij te spreken!’ of ‘Straks zul je wel inbinden, daar ga ik ten minste wel van uit!’ Nee, God komt in deze psalm niet aan het woord. God luistert. Hij laat David uitspreken, gaat niet inde verdediging of in de aanval, maar erkent David’s pijn en wanhoop. Dus als David tot op het diepst is gegaan, is het als het ware even stil, maar het is een oorverdovende, spannende stilte.

En in die stilte gebeurt het wonder. Woede gaat over in vertrouwen. Woede die helemaal aan bod mocht komen. Vertrouwen dat als uit het niets wordt geboren. Is David’s situatie verandert? Ik geloof het niet. Maar het perspectief is anders. David kijkt niet meer in de eerste plaats naar zijn zorgen en problemen. Hij kijkt naar zijn God. Wat er dan gebeurt zegt diezelfde David ontroerend in psalm 32:5 Gij zijt mij een verberging, voor benauwdheid zult gíj mij behóeden, gij omringt mij met gezángen ván bevríjding. Laten we – als het ons ook maar enigszins mogelijk is – alles vanuit Gods perspectief bezien. Hij omvat werkelijk alles! Er is niets buiten Hem.

 

Hoger als mijn ogen dragen,

wijder als de winden jagen,

dieper als de diepe zee,

overal heerst God alleen :

een, drie-één, zelfstandig Wezen,

nu, toekomstig en voordezen

is God, was God altijd, en

eeuwig zal Hij zeggen : ‘k Ben.

Guido Gezelle

 

geplant aan beken water,