Preek zondag 18 november 2012


 

O, als ik niet had vertrouwd te zien de góedheid van de Éne

 

 

Er zijn van die bijbelteksten die plotseling bijzonder tot je spreken. Je kende ‘m al jaren en plotseling staat ‘ie in een nieuw licht. Plotseling krijgt de tekst voor jou waarde in de praktijk van alledag. Bijvoorbeeld wanneer je op een nacht wakker wordt met hartkloppingen en werkelijk bang bet dat je laatste uur heeft geslagen. Je bent christen, dus bid je om hulp. Maar de angst en de hartkloppingen worden niet op slag minder. Waar is God en waarom doet Hij niks? Als dan eindelijk de paniekaanval toch voorzichtig overgaat en je ’s morgens de radio aanzet, leest de dominee psalm 73: 26 voor. Gods troost komt over je. Gods kracht vult heel de huiskamer.

Of je gaat op bezoek bij een christen die een terminale vorm van asbestkanker heeft. In de gesprekken met hem ervaar je zijn rust. Zijn overgave. Hij spreekt erover dat het beste deel binnenkort gaat beginnen. En je merkt dat het werkelijkheid voor hem is. Niet zomaar een vroom verhaaltje. Je merkt dat ‘rusten in God’ werkelijk bestaat. Dat God onze gebeden daarover werkelijk verhoort. Psalm 73: 23 – 26: en toch was ík steeds bíj u, gíj hield mij bij de réchterhánd. Gij léidt mij volgens uw ráad, in het einde néemt gij mij óp in glórie. Wie heb ik ánders in de hémel?- ik ben bij u,- verláng niets óp de áarde! Bezwijkt ook mijn vlees en mijn hart: de rots van mijn hárt en mijn déel is Gód vóor éeuwig.

Maar liefst 73 psalmen beginnen met de aanhef ‘Van David.’ Daarin tref je een grote veelheid van emoties en gevoelens aan.

In Psalm 39 schrijft David over het leven dat kort is. David snapt de zin van het leven niet. Vraagt zich vertwijfeld af waartoe hij op aarde is. Het meest ontroerend zegt hij dat in vers 5: Ene, doe mij weten mijn einde, de maat van mijn dágen, wat die ís, ik wil wéten waar het mét mij óphoudt!

In Psalm 22, geschreven vanuit het perspectief van een rechtschapen man die in intense nood zit en wiens de dood hem bij voortduring voor ogen staat, schreeuwt David tot God: Mijn God, mijn God, wáarom hebt ge mij vérlaten, ver van mijn bevrijding, van de wóorden díe ik brúl. ‘O mijn God!’-

roep ik bij dag, gij ántwoordt níet,- de nacht door, maar tot stílte kóm ik níet! Wanhopiger kan een mens niet zijn. Schreeuwen om hulp terwijl er niemand antwoordt.

Diezelfde David slaat in Psalm 23 een heel andere toon aan. Hij voelt zich veilig in Gods hand. Ook als het tegenzit vindt hij in God zijn sterkte: De Éne is mijn hérder, míj zal níets ontbréken; Is dat dezelfde persoon die een psalm eerder nog wanhopig was? Nu zegt hij (: 6): Mij achtervolgen slechts goedheid en vriendschap, al de dágen van mijn léven;

Hoe zit dat met ons, met mij? Is er een knopje waarop we kunnen drukken om ons het Psalm 23-gevoel weer te binnen te brengen? In het Nieuwe Testament is het Jezus zelf die met ons begaan is. Als de dienstknecht van een centurio er slecht aan toe is stuurt deze zijn dienaars naar Jezus om hem te halen. En dat staat er treffend (Lucas 7: 6): Toen is Jezus met hen meegegaan. God zelf loopt met de gezonden dienaars op. Hij laat zijn volgelingen niet in de steek. Hij is niet een afstandelijke god die het hulpeloze geworstel van ons mensen hoofdschuddend gadeslaat. Hij loopt met ons op als we dat nodig hebben. Soms zelfs onherkenbaar. Maar niet minder feitelijk. Als ooit eens bij de Emmaüsgangers. Hij was erbij en ze hadden niks in de gaten.

Zoals eens Gods liefde voor Israel werd beschreven (Jesaja 63: 9): In al hun benauwing was het hém benauwd: de engel van zijn aanschijn heeft hen bevrijd, door zijn liefde en zijn mededogen heeft hij hen verlost; hij heeft hen opgetild en gedragen alle dagen van eeuwig.

God die mee-lijdt. Jezus die huilt als Hij bij het graf van Lazarus staat (Joh. 11: 35). Jezus wiens liefde voor ons werkelijk eindeloos is, zoals Johannes 13: 1 schrijft: Voor het feest van Pasen, als Jezus weet dat zijn uur gekomen is om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, betoont hij, die de zijnen in deze wereld heeft liefgehad, hun ook zijn liefde tot aan de voleinding.

Met de dood voor ogen is Hij op ons gericht. Hij is er altijd. Soms voor ons ongemerkt. Wij mogen in de moeilijkste omstandigheden pleiten op zijn beloften: Ik zal u niet begeven en u niet verlaten!

in het lánd ván de lévenden!