Preek zondag 9 september 2012


0 false 21 18 pt 18 pt 0 0 false false false /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-fareast-language:EN-US;}

D’Almaghtighe is mijn herder, en geleide.

Wat is ’er datme schort?

 

Veel bekendere psalmen zijn er niet. En gelezen wordt hij dan ook vaak. Kort is ‘ie ook. En met bekende beelden die iedereen snapt. En er zijn heel wat prachtige berijmingen van. Psalm 23.

 

(Een musiceerstuk, van David)

1. De Éne is mijn hérder, míj zal níets ontbréken;

2. in weiden vol gróen vlijt hij mij néer, hij voert mij mée naar wáteren van rúst;

3. mijn ziel keert door hém in mij terúg, hij leidt mij in sporen van gerechtigheid omwílle ván zijn náam!

4. Ook als ik moet gaan door een dal vol schaduw van dood,- kwaad zal ik niet vrezen, want gíj zijt bíj mij; uw staf en uw stok, díe zullen míj vertróosten.

5. Gij bereidt voor mijn aanschijn een tafel tegenóver mijn benáuwers; gij zult mijn hoofd betten met olie, mijn béker is óvervól!

6. Mij achtervolgen slechts goedheid en vriendschap, al de dágen van mijn léven; terugkeren mag ik in het huis van de Éne in léngte van dágen!

David – dichter van psalm 23 – beschrijft zijn God vanuit het perspectief van een schaap dat zijn herder bezingt. Een schaap dat vertelt hoe geweldig die herder wel is. In de verzen 1 t/m 3 gaat alles voor de wind. Van vragen en zorgen is geen sprake.

Doen ook wij dat? Vertellen ook wij onbevangen en onbevreesd over de formidabele herder die wij kennen? Zingen wij ook ons geluk uit voor iedereen die dat maar horen wil als we aan onze herder denken?

In de verzen 4 en 5 vertelt de dichter van de herder in tijden van zorg en tegenspoed. Als alles tegenzit is de zorg van de herder en het contact met hem van allesoverheersend belang. In de relatie met de Éne ligt heel Davids zekerheid vast. Niet in de zorgeloze gang van zaken. Maar in de zekerheid dat het de Éne niet uit de hand loopt. En dat aan de einder God ervoor zorg draagt dat het goed is.

In vers 6 overweegt David de vorige verzen nog eens voor zichzelf. Hij spreekt als het ware zichzelf toe. Hij brengt zich te binnen hoe geweldig gelukkig hij is dat hij deze herder als de zijne heeft. Hoe gelukkig hij is met het vooruitzicht dat de herder je biedt.

Het is niet elke dag eenvoudig om je zo aan de herder toe te vertrouwen. Maar in je leven ervaar je dat het wel het beste is wat je kunt doen.

God is mijn herder, mij zal niets ontbreken;

grazige weiden heeft Hij mij bereid,

mijn ziel verkwikte Hij aan koele beken,

Hij heeft mij in het rechte spoor geleid.

Hij wijst mijn pad, zijn Naam is mij een wapen;

al trek ik door een dal van dood en pijn,

ik kan mij nederleggen om te slapen:

zijn sterke staf zal mijn vertroosting zijn.

Gij hebt mijns vijands ogen uitgestoken

door feestelijk mij te spijzen waar hij lag;

mijn haren geuren van uw balsemroken,

uw rijkdom vult mijn beker, dag aan dag.

Ik zal mijn leven lang geen hulp behoeven:

geluk en zegen hebt Gij mij bereid

tot ik verheerlijkt in uw huis mag toeven,

uw licht, uw vrede, -tot in eeuwigheid.

Ick zal Godts huis en zegenrijcken tempel

Bewoonen dagh en nacht,