Preek zondag 5 augustus 2012


0 false 21 18 pt 18 pt 0 0 false false false /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin;}

die geplant zijn in het húis van de ÉNE,

in de voorhoven van onze Gód zullén zij gróeien!

 

Hoe zit dat met ons gelovige christenen. Die op God en op Zijn hulp vertrouwen. Betekent dat dat ook alles lukt? Dat alles van een leien dakje gaat? Je zal maar dik in de problemen zitten en ‘toevallig’ psalm 1 lezen. Over de man die zich verre houdt van bozen. Die Gods wet boven alles stelt:

in de Wet van de Ene heeft hij behagen, díens Wet spélt hij, de dág door én de nácht. Wezen zal hij als een boom geplant aan beken water, die zijn vrucht geeft op zijn tijd en zijn blád valt niet áf: al wat hij dóet zal hém gelúkken.

En dan heet jij Job. Job maakt psalm 1 meer dan waar, getuige de aanhef van het gelijknamige Bijbelboek: Er was eens een man in het land Oets, Job genaamd, en die man was

volmaakt en oprecht, godvrezend en wars van kwaad.

Job – we kennen de geschiedenis – raakt in de grootste problemen. Hem mislukt werkelijk alles. Gold voor hem dan niet wat veel later werd opgeschreven door de evangelist Johannes (15: 1 – 8): Johannes citeert Jezus die zichzelf vergelijkt met de ware wijnstok. De discipelen zijn de ranken. En die ranken moeten met de wijnstok verbonden blijven. Dan groeien ze. Vers 7 zegt het zo:

Als gij blijft in de eenheid met mij en al wat ik gezegd heb u bijblijft,- al wat ge wilt: vraagt het

en het zal u ten deel vallen.

 

Bomen moeten groeien. Dat ligt opgesloten in hun cellen, die zijn zo geprogrammeerd. Een boom moet groeien, bloeien en vrucht dragen. Heel bijzonder zie je dat aan de sequoia’s in Californië. In de dunne kuststrook daar is er het hele jaar door relatief veel neerslag en is het vaak mistig. Zo kan de boom – en dat is de kern – steeds voldoende water opnemen. Er zijn sequoia’s die meer dan 2500 jaar oud zijn. En nog elk jaar verder groeien.

Van Job kunnen we leren dat er van alles als beproeving op je weg kan komen. Dat er tegenslagen zijn waarvan je het waarom niet begrijpt. Maar ook dat God je niet vergeet. Jakobus 5: 11 zegt dat we moeten volharden, en Job wordt als voorbeeld gesteld. zie, wij prijzen zalig wie hebben volhard:

de volharding van Job hebt ge gehoord en het einde van de Heer weet ge, omdat ‘de Heer rijk aan erbarmen is en mededogend’ (Ps. 103,8).

Job groeide in en door zijn lijden. Dat klinkt heel vroom. Zo ervoer Job het niet, toen hij er midden in zat. Hij vocht met God over zijn lijden. Maar God had een koers met hem voor. En Gods koers droeg uiteindelijk bij aan Jobs geluk.

Zo is het ook met ons. Een christenleven is niet per definitie makkelijk. Maar groei is wel de bedoeling van de christelijke natuur die we hebben. Dat heeft niks met rijkdom te maken. Of met kennis. Of met ervaring. Of met afkomst.

Je bent christen. Je leest de bijbel. En als vanzelf ga je dan groeien in je geloof. Ga je vrucht dragen. Door de Heilige Geest laat je zien wie God voor je is. Kolossenzen drie schrijft daarover. Vers drie doet sterk denken aan de wijnstok met z’n ranken en aan psalm 1 met z’n boom: Want ge zijt gestorven, en uw leven is met de Christus verborgen in God.

Ons leven is dat van de Christus. Onder meer betekent dat dat we moeten opvallen door een aantal zaken niet meer te vertonen (:5) Doodt dan uw aardsgezinde kanten: ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht,- die afgoderij is;

In plaats daarvan moeten we als groeiende christenen worden gekenmerkt door (:12) een barmhartig innerlijk, goedertierenheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld, waarmee ge elkaar kunt verdragen en begenadigen.

Nog in gríjsheid lopen zij úit,-

blijven gróen én vol frísheid.