Preek zondag 8 april 2012


 

Want sinds hij gestorven is, is hij gestorven voor de zonde,

– eens-en-voor-al;

 

Je kunt een geschiedenis uit de bijbel vele keren lezen. Prachtig vind je ‘m. En dan, plotseling, treft ‘ie je als een mokerslag. Net alsof je de emotie van de gebeurtenis nog nooit had beseft. Johannes 20: 1 – 18 is zo een passage. Op de eerste dag van de week gaat Maria uit Magdala naar het graf van Jezus. Ze ging om Jezus te gedenken.

Met onder meer Maria, de moeder van Jezus, Maria de vrouw van Klopas en Johannes had ze bij de kruisiging gestaan. Het overlijden van Jezus maakte ze mee. En ook wist ze van zijn begrafenis door Jozef van Arimathea; ze zag waar Jezus werd begraven.

Jezus bevrijdde haar ooit van zeven boze geesten (Lukas 8:2) en dat maakte dat ze hem hoger achtte dan wie anders dan ook. Iets belangrijkers was haar in het leven nooit overkomen.

En nu wilde ze de plek waar Jezus was begraven bezoeken. Ze verwachtte een gesloten graf. Maar tot haar stomme verbazing stond het graf open. De steen die het hoorde af te sluiten was weg. Haar conclusie is duidelijk: er was grafroof gepleegd. Dat kwam nogal eens voor. Ze rent dan weg en komt aan bij Simon Petrus en bij de andere leerling,- die welke Jezus het meest heeft liefgehad, en zegt tot hen: ze hebben de heer uit het graf gehaald en we weten niet waar ze hem hebben gelegd

Haar ontreddering kon niet groter zijn. Johannes en Petrus gaan naar het graf, kijken er rond en Johannes begint te aarzelend beseffen wat er aan de hand is (: 8) als hij alles heeft gezien begint hij te geloven.

Maria staat ook weer bij het graf. Ze is kennelijk teruggelopen nadat ze Petrus en Johannes had gewaarschuwd. Petrus en Johannes gaan weer terug. Maar Maria niet. Misschien hebben Petrus en Johannes wel geprobeerd om haar om te praten. ‘Meid, ga mee. Hier kun je niks meer doen. Dat zie je toch.


Maar Maria blijft en gaat op haar beurt het graf binnen. Twee engelen zijn daar. Ze spreken Maria aan. Vrouwe, waarom deze weeklacht? Dat is voor haar nogal duidelijk: Jezus is weg en iets verschrikkelijkers kon haar niet overkomen. Zijn dood was gruwelijk, en nu ook nog was zijn lichaam gestolen of verwijderd. Maar dan gebeurt er iets ongeloofelijks. Van al de mensen voor wie de dood van Jezus een onbeschrijfelijke tragedie is, is zij de eerste die Jezus als de opgestane ziet. Niet Johannes. Niet Petrus. Nee, een vrouw die helemaal niet zo vaak in de bijbel voorkomt. En een wel heel bescheiden rol speelt in de geschiedenissen van Jezus. Zij ziet hem als eerste. Elke twijfel was weg. Nee, ze had het niet mis gehad. Er hoefde niet een andere redder te worden verwacht. Zij kon als eerste de latere lofzang van Paulus aan het eind van Romeinen 8 (: 31 – 39) tot de hare maken. Zij was er zeker van dat

noch dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch bestaande toestanden noch toekomstige,

noch machten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel, bij machte zou zijn haar te scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus, haar Heer.

sinds hij leeft, leeft hij voor God.