Preek zondag 26 februari 2012


0 false 21 18 pt 18 pt 0 0 false false false /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin;}

Maar mijn zonde maakte ik u bekend,

 

De psalmen 120 – 134 worden opgangspsalmen genoemd. Dit zijn de speciale psalmen die de Joden zongen als zij op weg waren naar Jeruzalem voor de diverse jaarlijkse feesten. Een opgangspsalm kun je zien als lied van voorbereiding van de pelgrims voor het feestgebeuren in Jeruzalem, voor feesten die mensen uit de sleur van alledag haalden, die hen openden voor God en voor elkaar, voor ontmoetingen vol verwondering. Ze waren immers op weg naar een ontmoeting met God, en daarop bereidden ze zich samen met hun volksgenoten voor. En in de psalmen die ze zongen wordt belijdenis van zonden en gebed afgewisseld met de boetpsalmen (zie bijvoorbeeld Psalmen 120, 121, 130). Psalm 130 is zo een boetpsalm, in de (koor)literatuur bekend onder de titel De Profundis (uit de diepte):

 

Uit de diepten heb ik u, ENE, geroepen:

Heer-over-mij, hoor naar mijn stem, mogen uw oren wézen vol áandacht voor mijn stem, mijn sméken óm genáde!

Als gij ongeréchtigheden bewáakt, mijn Héer, wie zál bestáan? Maar bij ú is de vergéving, want zó wilt gíj gevréesd zijn!

Ik hoop op de ENE, vol hóop is mijn zíel, ík verbéid zijn wóord.

Mijn ziel is gespítst op de Héer, meer dan wie wachten op de ochtend, wáchtend óp de óchtend!

Israël, verbeid het van de ENE, want bij de ÉNE is vríendschap, bij hem is lóskoping óvervlóedig.

Hij is het die Ísraël zal verlóssen van zijn ongeréchtighéden álle!

De schrijver had het duidelijk moeilijk. Hij is ten einde raad en weet niet anders te doen dan zijn ellende aan God te vertellen. Hij heeft een diep schuldbesef: als God me niet vergeeft is het met me gedaan. Zijn houding is niet van: ‘Al is de zonde nog zo snel, onze Lieve Heer vergeeft het wel. Maar het is niet Gods bedoeling dat de mens verloren gaat. Slechts van één mens was het de bedoeling dat Hij zou sterven En dat is Jezus. Hij die kwam als het Licht der Wereld, werd door de duisternis van drie uur verstikt en gesmoord. Als wij dat beseffen past ons diep respect voor Gods liefde. Vergeving is niet een makkelijk mechanisme. God heeft er alles voor moeten doen wat mogelijk was. En dat weet de schrijver: Maar bij ú is de vergéving, want zó wilt gíj gevréesd zijn!’ Buiten God heeft hij geen verwachtingen. En hij roept het uit dat God Israel zal verlossen van alle ongerechtigheden.

Het gaat ook ons niet altijd voor de wind, ook niet in christelijk opzicht. Als het in onze christelijke gemeente niet lekker loopt ervaren we dat als een last die ons is opgelegd. De vraag is hoe we op die last reageren. Hoe bekijken wij ons lijden? Roepen wij God aanuit berekening, om de zaak onder controle te houden? Worden wij boos op onze mede-gelovige – en misschien stiekem ook een beetje ook op God – voor dat waarmee we worden opgezadeld? Het volgende apocriefe verhaaltje laat het verschil zien tussen resultaatgericht egoïsme en een uit liefde geboren trouw:

 

Op een dag zei Jezus tegen zijn discipelen: “Ik zou willen dat jullie een steen voor Mij dragen”. Hij gaf geen uitleg. Dus gingen zijn leerlingen op zoek naar een steen om te dragen. Petrus, altijd praktisch ingesteld, zocht de kleinste steen die er te vinden was. Jezus had immers niks gezegd over grootte en gewicht! Hij deed die steen dus in zijn zak. Jezus zei: “Volg Mij”.  En hij nam hen mee op reis. Rond het middaguur zei Jezus dat ze allemaal moesten gaan zitten. Hij zwaaide met zijn hand en alle stenen veranderden in brood. Jezus zei: “Tijd om te eten”. Petrus was in een paar tellen klaar met eten. Toen de maaltijd voorbij was, zei Jezus dat ze weer moesten opstaan. Opnieuw zei Hij: “Ik zou willen dat jullie een steen voor Mij dragen”. Petrus zei: “Aha, ik snap het”! Hij keek om zich heen en zag een rotsblok liggen. Hij nam het op zijn rug en dat ging moeilijk. Hij zwalkte ervan. En hij zei: “Was het maar weer etenstijd.” Toen zei Jezus: “Volg Mij”. Hij nam hen mee op reis. Petrus kon nauwelijks meekomen. Rond etenstijd kwam Jezus met hen bij een rivier. Hij zei: ”Nu gooit iedereen zijn steen in het water.” Dat deden ze. Toen zei Jezus: “Volg Mij” en liep verder. Petrus en de anderen waren met stomheid geslagen. Jezus zuchtte en zei: “Herinneren jullie je niet meer wat Ik vroeg? Voor wíe droegen jullie die steen”?’

Voor wie dragen wij onze steen? Voor wie doet u uw best? Petrus in dit verhaal (net als de oudste zoon uit Lukas 15) deed het voor zichzelf . . .

Op wie ben ik gericht? Waardoor wordt ik gedreven? Als een groep christenen zich door God begunstigd weet om de juiste leer, om de manier van godsverering en ethisch gedrag, kan de houding afwijzend worden tegenover mensen die deze dingen missen. Ons is alles vergeven. Kunnen wij ook anderen alles vergeven? De oudste zoon wist de jongste niet te vergeven. De Vader wel.

gij omringt mij met gezángen ván bevríjding.