Preek zondag 19 februari 2012


0 false 21 18 pt 18 pt 0 0 false false false

als je dan je gave offert op het altaar

en jij je daar herinnert dat je broeder iets tegen je heeft,

 

De Heer Jezus maakte op vele mensen indruk. Soms liepen ze in massa’s achter hem aan. Uit die grote menigte koos hij er twaalf die een bijzondere plaats innamen. Twaalf waarmee hij drie jaar rondreisde en lief-en-leed deelde. En hij koos ze zeer zorgvuldig. Hij bad er een hele nacht voor om tot een goede keuze te komen. Lukas 6: 12 – 16:

 

Het geschiedt in deze dagen: hij gaat de stad uit naar het bergland om te bidden, en brengt er de nacht door in de aanbidding van God; het geschiedt wanneer het dag wordt: hij roept zijn leerlingen tot zich, kiest er uit hen twaalf uit die hij ook de naam ‘apostelen’,- afgezanten geeft: Simon, die hij ook Petrus noemt, zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, Matteüs en Tomas, Jakobus van Alfeüs en Simon die ‘de Zeloot’ heet, Judas-ben-Jakob, en Judas Isjkariot die de overleveraar wordt;

 

De twaalf reisden met Jezus rond. En maakten alles mee wat hij deed. Ook leden ze veel ontberingen: de mensenzoon heeft niets waar hij zijn hoofd kan neerleggen! En dat gold ook voor de twaalf apostelen.

De twaalf mannen waren onderling zeer verschillend. Verschillend van beroep, van politieke visie, van maatschappelijke status. Vier bijvoorbeeld waren visser. Maar ook was daar een tollenaar die voor de Romeinen de belasting inde. Een zeloot die juist het Romeinse gezag volstrekt afwees. En een aartstwijfelaar. Als wij dat groepje ongeregeld hadden gezien, zouden we er op de eerste aanblik weinig eenheid in ontdekt hebben. Wij zouden vast anderen hebben geselecteerd!

 

En toch vormden die twaalf mannen een eenheid. Dat zat ‘m dus niet in wie ze waren en waar ze vandaan kwamen. Of in wat ze van bepaalde zaken vonden. Het zat ‘m in Wie hen had uitgezocht. De eenheid lag opgesloten in Christus zelf.

 

Dat is nog steeds ook zo voor de christelijke gemeente in 2012. Ook wij zijn als personen onderling heel erg verschillend. Van karakter. Van leeftijd. Van opvattingen. Maar toch een eenheid. Want we hebben Christus als hoofd.

 

Waren de discipelen altijd eensgezind? Zonder ruzie? Was de onderlinge relatie altijd vlekkeloos? We weten wel beter. Drie keer wordt een onderlinge ruzie beschreven. Twee keer ging het daarbij over de vraag wie de belangrijkste was. En éénmaal ging het erover wie Jezus zou verraden.

 

In onze gemeente zijn dingen gezegd die niet gezegd hadden mogen worden. Zijn woorden gesproken die niet passen. Er zijn mensen weggegaan om die reden. En twee oudsten traden daarom terug. De eenheid is in de alledaagse praktijk fors verstoord.

 

Een oplossing daarvoor? Die lijkt ver weg. In het verslag van de gemeentevergadering stond een behartigenswaardige opmerking: Aangegeven wordt dat indien iemand een probleem ervaart met een ander, leg dit dan in eerste instantie niet bij de oudsten neer. Praat eerst met diegene en probeer in liefde eruit te komen. Mocht het gesprek vastlopen, zoek dan contact met de oudsten.

 

De norm voor ons gedrag in de christelijke gemeente lezen we in Phil. 1: 27: Maar één ding: leidt een leven waardig aan de verkondiging van de Christus, Daarna is het tweede hoofdstuk van diezelfde brief één en al bemoediging hoe we dat kunnen oppakken. Hoe we elkaar kunnen dienen. God werd mens. Verkoos de dood aan een kruis. En wij moeten gaan lijken op het beeld van Christus. Aan Hem, aan zijn keuzes moeten we ons spiegelen. Net als bij Christus moet daarbij niet ons eigen belang voorop staan. Het belang van de ander gaat altijd voor.

 

 

láát je gave daar voor het aanschijn van het altaar en ga eerst heen: verzoen je met je broeder en dan kun je komen en je gave offeren;