Preek zondag 22 januari 2012


0 false 21 18 pt 18 pt 0 0 false false false /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:”Times New Roman”; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin;}

Zijn wij als broed’ren een, geen strijd om beuzelingen,

 

Wanneer ben je een goed christen? En hoe wordt je dat trouwens? In zijn brief aan de Filippenzen spreekt Paulus daar behartigenswaardige worden over. De kortste samenvatting van die brief staat in hoofdstuk 1: 27: leidt een leven waardig aan de verkondiging van de Christus. Vervolgens stelt Paulus in hoofdstuk 2: 1 – 11 Christus zelf voor – in de vorm van een lofzang! – als het grote voorbeeld. En dan legt Paulus uit hoe wij ons moeten opstellen om ons werkelijk als christenen te gedragen (Filippenzen 2: 12 – 18). Hij begint met een opmerkelijke volzin: Zó, ….,….,werkt, met vreze en beven aan uw redding. Wat? Is de redding dan niet eens en voor altijd geschied? Paulus maakt hier een helder onderscheid tussen ‘rechtvaardiging’ en heiliging. Rechtvaardiging gebeurt op één moment in de tijd. Inderdaad ééns voor altijd. Elke zondaar mag komen hoe hij is.

Maar dan begint er een leven met Christus. En dat is een proces – en het duurt de rest van je leven – dat Paulus aanduidt met het woord heiliging. Want een zondaar mag niet blìjven hoe hij is! Het doel van een christen is dat zij/hij (Rom. 8: 29) bestemd is om mede-gestalten van het beeld van zijn Zoon te zijn. God heeft een plan met het leven van iedere christen. En daar moet aan gewerkt worden, zegt Paulus. Dat kost inspanning en opoffering. Dat kost zelfverloochening. Een christen kan niet goedkoop leven. God de Vader gaf zijn zoon. En als wij het leven aanvaarden op grond van zijn dood, dan wordt er van ons verwacht dat wij iets van Christus’ beeld zullen laten zien.

Paulus maakt dat heel concreet. Hij geeft een aantal aanwijzingen die een toetssteen vormen voor iedere christen. Fil. 2: 14: Doet alles zonder morren en tegenspreken.

Als je computer een foutje heeft in het audio-systeem kun je horendol worden van het irritante geluid. Soms is dat zo zachtjes, dat je je eerst later realiseert wat er aan de hand is. Waarom je zo moe wordt als je achter de pc zit.

Zo kunnen ook mensen geweldige stoorzenders zijn in hun omgeving. Personen waar iedereen heel uitgeput van wordt. Mensen die de gewoonte hebben ontwikkeld om kritisch te zijn. Niet vanuit de opstelling om daarmee anderen tot beter presteren te brengen. Maar met het effect dat die ander zich in gebreke gesteld voelt. Dat de ander zich voelt falen. Zulke mensen maken opmerkingen die iedere bemoediging ontberen.

Bent u – of ik – zo een stoorzender in de gemeente? Vindt u – of ik – altijd van alles wel iets? Staat u – of ik – bekend als iemand die altijd kritiek heeft? Kunt u – of ik – werkelijk nergens mee leven?

 

Wanneer we bekend staan als positief ingestelde mensen die niet zeuren, gedragen we ons in en buiten de christelijke gemeente (: 15) te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, onder wie gij straalt als lichtsterren in de wereld) als getuigen van Christus.

 

Een tweede toetssteen is dat we het (: 16a) woord van leven vasthouden. In de westerse wereld leven we in een cultuur van tolerantie. Alles wat al dan niet spontaan uit de menselijke natuur opborrelt moet aanvaard worden. De grootste zonde (als er überhaupt van een zondebegrip al sprake is) is die van de intolerantie. Gij zult tolerant zijn luidt het gebod.

Waarheid is dan een relatief begrip. En de opvatting dat God de waarheid van buiten het heelal heeft verkondigd wordt als absolute onzin gezien. Geen wonder dus dat christenen – als ze in de openbare discussie zich beroepen op Gods geboden – als achterlijke boertjes worden weggezet. Want wie houdt nou nog rekening met normen die van buiten af worden opgelegd? Maar christenen moeten worden gekenmerkt door juist vast te houden aan Gods geboden voor het dagelijkse leven. Tegen de moderne tijd in.

Paulus schrijft aan de Filippenzen vanuit de gevangenis. Hij was bij hen geweest. Had zich voor hen ingespannen. Hij hield zielveel van ze. En dan schrijft hij dat zijn vreugde voor wat betreft de christelijke opstelling van de Filippenzen erin zit (: 16b) dat ik niet voor niets heb gelopen en niet voor niets gezwoegd. Niets is ontmoedigender voor leiders van een christelijke gemeente dan negatieve kritiek. Een positieve opstelling van de gemeente is wel het minste wat ze mogen verwachten (Hebr. 13 :8) Weest uw voorgangers gehoorzaam, en voegt u; want zij zijn waakzaam voor uw zielen als mensen die rekenschap moeten afleggen: opdat ze dat met vreugde doen en niet al zuchtende, want dat is niet voordelig voor u. Bemoedigen wij onze leiders? Bidden we voor hen? Dat is één van de kernopdrachten bij het ‘uitwerken van onze redding met vreze en beven’. Dat is een kenmerk van waarachtig christen zijn.

daar eng’len ons omringen en zweven voor ons heen!