Preek zondag 8 maart 2020

Geloof viert de werkelijkheid van wat wordt gehoopt,

Op het christelijk erf wordt behoorlijk wat af-gediscussieerd over wat genoemd wordt (en dat vooral door misprijzende afwijzers ervan) het welvaartsevangelie. Wordt aan personen die het christelijk geloof aanhangen een grote mate van materiele rijkdom en gezondheid beloofd, of is dat veel te simpel gedacht?

Die discussie lijkt op ‘een dialoog tussen doven.’ Bijbelteksten die over en weer royaal geciteerd worden onderstrepen moeiteloos het eigen gelijk van zowel voor- als tegenstanders van het welvaartsevangelie. 

Een beoordeling van het welvaartsevangelie is minder simpel dan het lijkt, omdat deze afhangt van bepaalde theologische vooronderstellingen die verder reiken dan de kwestie van het welvaartsevangelie zelf. 

De een legt sterk de nadruk leg op Gods soevereiniteit en kan zich helemaal vinden in de woorden uit de catechismus dat ‘de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods hemel en aarde zo regeert dat niet alleen gezondheid en ziekte, maar ook rijkdom en armoede ons niet bij geval toekomen, maar uit zijn Vaderlijke hand.’ 

De ander meent dat ziekte en armoede niet van God komen maar juist van satan. De gelovige moet geestelijke verhinderingen uit de weg ruimen. En als je ziek en/of arm blijft ligt dat eerder aan jezelf dan aan God. 

Als de voorgegeven uitgangspunten zozeer verschillen[1] is het niet verwonderlijk dat de visies van overigens orthodox gelovige christenen op dit gebied diametraal tegenover elkaar staan. Wat kunnen we zeggen over de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan het welvaartsevangelie?

Alles gebeurt met een reden.’ Of ‘God heeft een plan voor je leven.’ Uitspraken, gedaan door goedwillende en gelovige mensen. Ze geven blijk van een verlangen naar houvast, controle, logische verklaringen voor (nare) dingen die ons overkomen. Zijn die uitspraken waar? Zijn ze onschuldig?

Het welvaartsevangelie is in wezen een theodicee, een verklaring voor het probleem van het kwaad. Waarom genezen sommige mensen wel van hun ziekte, en anderen niet? Het welvaartsevangelie stelt dat geloof altijd voor een uitweg zal zorgen. Rijkdom, gezondheid en succes zijn bewijzen van Gods liefde. Ziekte, armoede en tegenslag hebben mensen aan zichzelf te wijten: onbeleden zonden, een te klein geloof. 

En anders is het wel een les of een beproeving van God waaruit iets goeds zal voortkomen. Het welvaartsevangelie komt met een eenvoudige verklaring waarom het leven in al zijn facetten inherent rechtvaardig moet zijn. Er bestaat in deze wereld niet zoiets als onverdiend lijden. Het woord tragedie komt niet voor. 

Kan het welvaartsevangelie uit de voeten met het begrip ‘overgave’? Heel moeilijk. Dat klinkt als een nederlaag accepteren. De aansporing is eerder ‘Nooit je dromen opgeven! Blijf kloppen, Gods deur gaat bijna open! Denk positief! Het keert gegarandeerd ten goede!’

Overgave is wat de catechismus ons expliciet voorhoudt. De catechismus roept op om los te laten en onszelf te onderwerpen aan de wil van de Almachtige.

Welvaartsevangelie is een groot succes. Dat succes is ook niet zo gek: wat deze evangelische kerken beloven is datgene wat mensen en wij christenen misschien wel het méést van alles verlangen. Concreet en onweerlegbaar bewijs van Gods bestaan. Een lijdende gelovige is een puzzel die opgelost moet worden. En als God niet alle ellende oplost, ondanks dat wij voldoende geloven, proclameren, bidden en zonden belijden, wat blijft er dan over? 

Wat overblijft is overgave. God bestaat. Hij houdt van ons. En dat is voldoende. Met de woorden van Job[2] (42, 3, 5): Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, over wonderen, te groot voor mij om te bevatten…… Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd. 

is het bewijs van gebeurtenissen die niet waarneembaar zijn.

Hebr. 11, 1


[1] “Geen stelling is beter dan der eraan ten grondslag liggende vooronderstelling” (Groen van Prinsterer) 

[2] Wiens vrienden de stelling verdedigden dat geluk en welvaart het bewijs zijn van goddelijke beloning, en dat, als Job zijn fouten zou erkennen, zijn lot onmiddellijk weer zou omkeren. Job: “Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet?