Preek zondag 9 februari 2020

“We kunnen Auschwitz niet begrijpen met God, en niet zonder God”

Recent werd herdacht dat Auschwitz 75 jaar geleden werd bevrijd, op 27 januari 1945. Auschwitz is het symbool van de systematische moord op miljoenen mensen door het Duitse naziregiem.

Ook in theologische discussies is Auschwitz een begrip geworden. Joop den Uyl zei na Auschwitz zijn christelijk geloof vaarwel. “Dit kan een goede God niet hebben toegelaten. En dus bestaat er geen goede God.” 

Studies verschenen waarin het anti-judaïsme in de christelijke kerk door de eeuwen heen op onthutsende wijze aan de orde komt. Woorden van Luther en Chrysostomus: trieste literatuur. 

Geluiden die tegenovergesteld waren kregen nauwelijks aandacht. De belijdenis van Revius “ ‘t en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,” of de aanklacht van Bonhoeffer “ een ‘judenfreie’ kerk is geen kerk meer”: nu zien we hoe waar ze waren.  

De vraag ‘Waar was God in Auschwitz’ moet volgens een Joodse rabbijn anders worden gesteld: ‘Waar was de mens in Auschwitz?’ En hij vervolgt: “God was, volgens mij, niet in de gaskamers, niet op de executieplaatsen, niet bij de massagraven. Daar was alleen de mens, die zich van zijn slechtste en meest perverse kant liet zien in de uitvoering van het ultieme kwaad. Maar God was wél aanwezig in die andere momenten: het moment dat die ene gevangene zijn stukje brood aan de ander gaf, zodat die ander hopelijk kon overleven.”

Corrie ten Boom getuigt op indringende manier van Gods aanwezigheid in Ravensbrück. Niet minder indringend ervaart Bonhoeffer Gods presentie in Buchenwald en Flossenbürg. 

De vraag van heel velen vandaag blijft toch: hoe kan je de hel van Auschwitz rijmen met het bestaan van een goede God? 

Hoe hebben de allereerste christenen – toen die nog discipel van Jezus waren en bij het kruis stonden – er tegenaan gekeken?  

Ze zagen Jezus lichamelijk gruwelijk lijden. Kruisigen was een Romeinse straf voor geminachte vijanden. Een wredere manier om iemand aan zijn einde te brengen was er niet. 

De discipelen zagen ook een onvoorstelbare ontwikkeling. Jezus getuigde er drie jaren van dat hij Gods Zoon was. En hij bewees dat voor zijn discipelen en vele anderen door zieken te genezen en doden op te wekken. Hij noemde God zijn hemelse Vader. En hij beloofde ervoor te zullen zorgen dat zijn volgelingen in een vredig Godsrijk zouden leven. En toen kregen de Joodse leiders – bang om de macht te verliezen – het voor elkaar dat de Romeinen hem terechtstelden. De mensen die kort tevoren nog ‘Hosanna’ riepen schreeuwden hier “Waar is je God nou?! Je beweerde toch dat God je Vader was en dat je putte uit de kracht die Hij je gaf? Nou, laat het nu dan maar eens zien en laat je door Hem verlossen! Dan zullen wij ook in je geloven!

Maar het meest gruwelijke was wellicht wel dat Jezus het contact met God verloor. De bron kwijtraakte waaruit Hij altijd kracht geput had. “Mijn God, mijn God, waarom hebt u Mij verlaten” schreeuwde Hij uit in doodsangst. Toen werd het laatste restje geloof dat zijn volgelingen tot op dat moment misschien nog hadden, definitief de bodem ingeslagen. Van Jezus hadden ze geleerd in alles op God te vertrouwen. Maar nu was Jezus zelf dat vertrouwen compleet kwijt. Wat moesten zij dan nog?

Toch trokken diezelfde discipelen niet lang daarna vol vuur de wereld in en raakten niet meer uitgepraat over God en over Jezus Christus! Heel wat van hen kwamen op een vreselijke manier aan hun einde. Maar hun vuur was niet meer te blussen. Wat was er gebeurd? Het klinkt ongelofelijk, maar Jezus Christus was drie dagen na zijn terechtstelling opgestaan uit de dood.

Een lijdende Christus. God zelf, die ten diepste weet en doorvoeld heeft wat lijden is, kan mensen die lijden, nabij zijn. Tot deze God kunnen we ons wenden, ook – of juist – na Auschwitz. Hij is onze God, die de Godverlatenheid zelf aan den lijve heeft ondervonden toen Hij aan het kruis stierf. Ook wanneer het idee van een almachtige God in het licht van de gruwelijkheden van Auschwitz ongeloofwaardig lijkt geworden, is er de God die draagt en tot wie we kunnen roepen, in elk lijden. 

Zie, God is groot en niet te kennen,-

Job 36, 26