Preek zondag 5 januari 2020

‘Bron van het zijnde, groot zijt Gij:

Veertig jaar zwierven de Israëlieten door de woestijn. Ze hadden al aan de grens van het beloofde land gestaan maar werden door God teruggestuurd omdat ze God niet vertrouwden. En in Deut. 6, 4 – 15, na die veertig jaar, staan ze weer aan de grens van het hun beloofde land. Er gaat een nieuwe toekomst beginnen. 

Mozes, hun leider, kijkt dan zowel terug op de geschiedenis als vooruit naar wat komen gaat. Zo ongeveer wat wij doen als we op de drempel van oud-en-nieuw staan. 

Mozes spreekt over de kern van de relatie tussen God en zijn volk Israël. 

Hoor, Israël! – de Ene is onze God, de Ene alleen!

Israëls God – onze God – is een persoonlijke God. Iemand die is, die spreekt, die ziet, hoort, handelt en liefheeft. God heeft een wil en een persoonlijkheid, en is een almachtig, oneindig goed, liefdevol en barmhartig wezen. God bewoont enerzijds een ‘ontoegankelijk licht’, en wil aan de andere kant met elk mens een persoonlijke relatie onderhouden: Sterfelijke mensen kunnen bij God wonen! Want het is God zelf die de onmetelijke afstand tot de mens overbrugt. Met Kerst denken we daaraan en herdenken we dat. Oude bijbel-geleerden betogen daarom met reden dat, zelfs al hadden Adam en Eva niet gezondigd, Jezus toch op aarde geboren zou zijn. Om zichtbaar en kenbaar te maken wie God is (Joh. 1, 18). 

Bij de volken die om Israël heen woonden was dit een volmaakt ondenkbaar idee. Die hadden voor alle omstandigheden wel een god in de aanbieding. Voor droogte en voor regen. Voor ziekte en gezondheid. De idee dat God één is bestond louter en alleen bij Israël. In Jesaja (40, 25 en 45, 3) betuigt de profeet dat ook. God is één; er is geen tweede!

Misschien brengt ons dat toch ietwat in verwarring: hoe zit het dan met God de Vader, God de Zoon en God de heilige Geest? Drie Personen die je los van elkaar kunt zien en die tegelijk helemaal één zijn? Er is eigenlijk geen enkele menselijke voorstelling die precies weet duidelijk te maken wat de Drie-eenheid is. Het gaat over God zelf. En God – eeuwig oneindig – zal nooit in een menselijk beeld passen. 

God is één stelt Deuteronomium, en God staat in het centrum. Die God moeten we liefhebben (6, 5) 

  1. met heel je hart, 2) met heel je ziel, 3) en met al je macht!

God heeft recht op onze ongedeelde aandacht. God moet alles zijn waar ons hart zich op richt. Het hart, waar onze liefde zetelt en waar onze verlangens en gedachten van uitgaan, moet geen ander uitgangspunt kennen dan God. Onze ziel, met onze plannen en ideeën, moet gefocust zijn op God. En de oude bijbelschrijvers voegden daaraan toe ‘ook al zou ons dat het leven kosten.’ En God liefhebben moeten we doen met alle macht. Onze liefde moet eindeloos en grenzeloos zijn. En, zoals een rabbi ooit schreef, dat houdt beslist ook de inhoud van je portemonnee in!  

God liefhebben is geen ritueel. God liefhebben ligt niet vast in een formele handelwijze of in het uitspreken van een bepaald gebed. God liefhebben gaat ver uit boven gebruiken of ceremonies (waarmee het dan weer ‘klaar’ zou zijn). Gods woorden moeten altijd bij je zijn (6, 8 – 9): Binden zul je ze tot een teken op je hand, – wezen zullen ze tot merkteken tussen je ogen! Schrijven zul je ze op de posten van je huis en in je poorten!

We moeten Gods woorden herhalen voor de zonen-en-dochters. Doen we dat? Bij herhaling? 

God moet ons voor ogen staan als het tegenzit. Bij ziekte, tegenslagen, geldelijke problemen. Jobs woorden zijn heel bekend (Job 1, 21): de Ene heeft gegeven, de Ene heeft genomen, de naam van de Ene zij gezegend!

Maar het is misschien wel veel moeilijker om God ongedeeld voor ogen te hebben als het ons goed gaat. Alles wat we hebben, geld, goed, gezondheid, komt van God. Het is Gods genade. Zien we dat ook nog zo? Of hebben we het eigenlijk ook wel een beetje zelf verdiend? Maken we geld en goed zelfs tot onze afgod?

Dan luidt het (6, 14) Ge zult niet gaan achter andere goden aan. Want: hoe meer welvaart, hoe groter de uitdaging om God te blijven liefhebben. Met ons hele wezen. In alle aspecten van ons leven. 

eeuwig oneindig, en zo nabij.’

Trad; abdij van Orval