Preek zondag 22 december 2019

Wees mij tot een rots, een omheining 
waar ik voortdurend kan komen,

Het ultieme kerstgevoel. Voor sommigen is dat het tuincentrum. Dat is de spil waar het met kerst om draait en de plek waar de kerststal is uitgegroeid tot een compleet kerstdorp.

Voor mij komt al heel wat jaren kerstavond – 18:00 uur, BBC2 – er dichtbij. Het Festival of Nine Lessons and Carols door het koor van King’s College, Cambridge. Een grootse traditie; al honderd jaar begint dat met de hymne Once in Royal David’s City

Voor het ware kerstgevoel moet je toch in de kerk zijn. Waar mensen bij elkaar zijn die zich verbonden weten terwijl ze toch elkaar niet hebben uitgezocht. Ze zijn verbonden omdat ze allemaal – en elk op haar of zijn eigen manier – één ding willen: Jezus zien en God lofzingen!

De eersten die ooit Jezus zagen waren de herders die hun kudde gedurende de nacht in de gaten moesten houden. Die herders schrokken zich te pletter. Compleet overrompeld en overdonderd waren ze: ze zagen de heerlijkheid van God! En die heerlijkheid van God, misschien zit daarin wel het ware, echte kerstgevoel. Dat je je vanuit je diepste binnenste afvraagt “God, wie bent u toch? Hoe meer ik over u nadenk, hoe minder ik ervan begrijp. Wil mij helpen, want het begrijpen is me te wonderbaar. Ik kan er niet bij!”

Mozes had dat ook. Dat gevoel van oneindige verwondering. En op een hoogst opmerkelijk moment. Hij was de leider van het volk Israël en had de taak het volk door de woestijn naar het beloofde land te brengen. Dat ging niet van een leien dakje. Hel volk vertikte het met grote regelmaat om Gods leiding – via Mozes – te aanvaarden. Zo zelfs, dat God er compleet genoeg van krijgt en tegen Mozes zegt (Ex. 32, 9 – 14): laat me met rust, dan kan mijn toorn tegen hen losbranden en zal ik hen verteren; en jou maak ik tot een groot volk!

Een aanbod dat Mozes niet kan weigeren, zou je zeggen. De plaats innemen van Abraham! Maar niks van dat alles: Mozes zoekt de zachtheid van het aanschijn van de Ene, zijn God en brengt God op andere gedachten. En God krijgt berouw over zijn voornemen om het volk te vernietigen.

God geeft Mozes vervolgens de opdracht om met het volk verder te trekken (Ex. 33, 1). Mozes snapt de opdracht heel goed, maar dringt er op aan dat God zelf meegaat. Want “dat heb ik u nog niet horen zeggen” meent Mozes. Opnieuw ontspint zich een gesprek tussen Mozes en God, en opnieuw verklaart God aan Mozes (Ex. 33, 17): ook dít woord dat je hebt gesproken zal ik doen; want je hebt genade gevonden in mijn ogen,- ik ken je bij name!

Alles helder, zou ik dan denken. Mozes heeft gekregen wat hij vroeg. Nu op weg dus. Waar wacht je nog op. Geef het signaal om in te pakken en op te breken. Op naar het beloofde land. 

Niets van dat al. Het mag er dan op lijken dat Mozes in zijn gesprekken met God de leidende partij is, en dat God zijn plannen verandert op de argumenten van Mozes. Maar Mozes weet één ding: “God is groot, en begrijpen doe ik hem niet.” Mozes stamelt (Ex. 33, 18): laat mij toch uw glorie zien! 

Wie zou God niet in de ogen willen kijken. Dat betekent toch zoiets als willen weten waar we vandaan komen en waar we heengaan, en wat we in de tussentijd hier geacht worden te doen. Zit er wel enig doel en samenhang in ons leven, loopt er een rode draad door, en al dat pijnlijke getob van ons, is dat nog ergens goed voor? 

Dat dit te veel gevraagd is, weten wij even goed als schrijver van Exodus: hoe zouden wij die nog niet eens in de zon kunnen kijken, God kunnen verdragen? Maar God laat zich toch zien: op de rug, van achteren. Een prachtig beeld is dat. Er zit een eindeloze troost in. Als je terugkijkt op bepaalde gebeurtenissen in je leven, dan weet je dat deze geen toeval waren, ‘dat het zo moest zijn‘, dat zelf het grootste verdriet toch een zin in zich borg. Of, in de taal van het geloof: dat je daarin God zag. God laat zich toch zien: alleen op de rug, van achteren. Met 1 Kor. 13, 12: Ja, nú kijken wij met een spiegel in een raadsel, maar dán: van aangezicht tot aangezicht! 

Mozes geeft zich compleet over aan God en aan zijn heerlijkheid. En God zet hem op een rots. 

gij die gebood mij te redden, 
 want mijn steenrots en mijn bastion zijt gij.

Psalm 71: 3