Preek zondag 8 december 2019

Gods glorie wacht ons

Bij een bijbelbespreking ging het over de opname van de christelijke gemeente aan het einde van de genadetijd. Iemand vroeg zich af waarom dat zo ingewikkeld moest gebeuren: “God had toch makkelijk de gemeente gewoon een tijdje ergens kunnen parkeren?”   

De tekst uit 1 Kon. 6, 7 werpt op die opname misschien wat licht. Salomo bouwt een tempel voor God. Het huis is, toen het werd gebouwd, gebouwd van Salem-stenen uit de groeve; hamers, bijl en geen enkel ding van ijzer zijn in het huis te horen geweest toen het is gebouwd.

Opmerkelijk: op de bouwplaats was geen lawaai van hamer of breekijzer. Geen stof van geschaaf of gezaag. Alles was elders al klaargemaakt. In Jeruzalem hoefde het alleen nog maar in elkaar gezet te worden.  

Als God zijn gemeente van deze aarde ophaalt omvat dat alle christenen uit alle denominaties die er op aarde maar zijn. Plus alle gestorven christenen die er de afgelopen twintig eeuwen waren. 

De daadwerkelijke eenheid van de christelijke gemeente wordt pas werkelijkheid als God alles samenvoegt. Eerst dan bereikt de gemeente haar eigenlijk doel. Zoals ook in de tempel die Salomo bouwde. Bij ingebruikname in 1 Kon. 8, 9 – 10 vervult de glorie van de Ene het huis van de Ene. Zo is het ook met de christelijke gemeente, de vrouw van het Lam (Op. 21, 9 – 11): Zij heeft de glorie van God! Vandaag de dag geldt voor ons dat we daarnaar vooruit kijken (Rom. 5, 2): Gerechtvaardigd dan uit geloof hebben wij vrede bij God door onze Heer, Jezus Christus, door wie wij ook ………roemen in hoop op de glorie van God. 

Wij verwachten dat met volharding, zegt Paulus. Ons geloof van vandaag viert de werkelijkheid van wat wij hopen! Mozes (Ex. 33,18) wilde graag Gods heerlijkheid zien. En God vergunde hem daarvan een stukje. Wij zullen ooit de glorie van God hebben. Van “eventjes tijdelijk parkeren” is geen sprake. Het is een totale omvorming!

Gods hulp omringt ons

Mattheus 14, 22 – 34 behelst de geschiedenis van Jezus die wandelt op het water. Nadat hij een grote menigte te eten heeft gegeven met vijf broden en twee vissen, dwingt Jezus zijn discipelen om meteen weg te varen met de boot naar de overkant van het meer. Zelf gaat hij bidden. Neemt de tijd om met God te praten. Inmiddels ziet hij dat zijn leerlingen het moeilijk hebben met de harde wind en de hoge golven. 

Jezus loopt zijn leerlingen achterna, over het water. Als die een persoon op het water zien lopen (Matth. 14, 26, 27): zijn ze verbijsterd; ze zeggen: dat is een spook!, en ze schreeuwen van vrees. Maar meteen spreekt Jezus tot hen en zegt: houdt moed, ík ben het, vreest niet!

Jezus verwijt hen niks, maar steekt hen een hart onder de riem. En dat reageert Petrus (14, 28): heer, als u het bent, beveel mij over de wateren tot u te komen! En Jezus zegt kom. Petrus stapt uit de boot en loopt ook over het water, en komt aan bij Jezus. Maar dan kijkt Petrus naar wat hij doet, hij realiseert zich hoe hard het waait en hoe hoog de golven zijn. En hij zakt in de diepte. Onherroepelijk. Vers 30 luidt  hij schreeuwt het uit en zegt: heer, red mij! 

Eigenlijk geldt dat voor ons allemaal altijd.  Een christen kan altijd hulp vinden bij Jezus. Zoals Hebreeen12, 2 het kenmerkend zegt: ziende op de overste leidsman en voleinder van het geloof: Jezus; Zolang we met Jezus samen over water kunnen lopen hebben we van niets en niemand extra hulp nodig. Jezus strekt dan ook meteen zijn hand uit en zegt tot Petrus kleingelovige, waartoe stond je zo onvast? God heeft macht over storm en wind. De natuurkrachten gehoorzamen hem. Alle mannen die in de boot zitten zijn verbluft en brengen jezus hulde en zeggen u bent werkelijk de zoon van God!

En broodnuchter eindigt het verslag met de feitelijke mededeling Ze steken over en komen op het land aan 

in Gennesaret. Onze les is wel dat we niet verstandiger kunnen doen dan hulp bij God zoeken. We hoeven dan niet bang te zijn: ons hart wordt ondersteund (Ps. 112, 8a).

hoe kostbaar zijn uw gedachten, o God,-

wat zijn hun hoofdstukken kernachtig!

Ps. 139, 17