Preek zondag 27 november 2011


Dan ben ik al gevonden,

 

Toen God Adam en Eva schiep voltooide Hij daarmee de schepping. Twee mensen als de kroon op Zijn werk. Twee dingen zijn belangrijk: (Gen. 1: 27, 28):

· God schept de mens naar zijn beeld, naar het beeld van God heeft hij hem geschapen;

· Dan zegent hij hen, God, en hij zegt tot hen, God: …….., vervult de aarde en bedwingt haar!-

 

God heeft voor de net geschapen mens een schitterende toekomst voor ogen. De mens draagt het beeld van God en de mens zal op aarde Gods bestuur uitvoeren. In volmaaktheid, zoals God haar en hem schiep.

 

Het liep anders, zoals we weten. God ging een verbond aan met Adam en Eva. Alles was toegestaan, van elke boom mochten ze eten, met één uitzondering. En zoals bekend liep het daar spaak. Zoals het later in de geschiedenis nog een paar keer spaak liep met de verbonden die God daarna aanging. Met Noach. Met Abraham. Met zijn volk Israel. Uiteindelijk bleken wij mensen niet in staat om het verbond met God te houden.

 

Een verbond is geen contract, maar een levende relatie. In een verbond zit zowel iets van wet als iets van liefde opgesloten. Het Hebreeuwse woord berit wordt in het Oude Testament gebruikt voor verbond en het beschrijft een legale relatie tussen twee partijen, gebaseerd op een plechtige belofte. Een verbond is daarbij ook weer veel duurzamer dan een relatie die op louter gevoel is gebaseerd.

En dan loopt er tweeduizend jaar na Adam en Eva een mens op aarde die waarachtig al Gods geboden naleeft. God roept vanuit de hemel (Matth. 3:17) dit is mijn zoon, de geliefde, in wie ik een welbehagen heb (Jes. 42,1)! Met Jezus is er een persoon die als tweede Adam waar maakt wat de eerste Adam verprutste. Gods oorspronkelijke doel met de aarde wordt weer mogelijk. En mensen worden opgeroepen zich te vormen naar het beeld van Jezus Christus. Zich te ‘hervormen’ naar Zijn beeld, naar Gods prototype – Jezus – van de mens die hij bij de schepping al voor ogen had. Mensen worden opgeroepen volgelingen van Jezus te worden. Op nieuw wordt er een verbond ingesteld. Maar dit keer is het karakter ervan compleet anders.

In Jeremia 31 : 31 – 34 lees je over het verbond. Een nieuw verbond. Anders dan het vorige. Dat vorige stamde van de berg Sinaï. En Israel had het niet gehouden. Vers 33: nee, dít is het verbond dat ik met het huis Israël zal smeden na die dagen, is de tijding van de Ene: ik zal mijn Wet geven in hun binnenste en in hun hart schrijven;

God wil niet dat we Hem uit angst voor vergelding dienen. Dat willen alleen dictators. God wil dat we hem dienen uit liefde voor zijn overgave aan het kruis. Het nieuwe verbond ontstaat door geloof in Jezus Christus. God geeft zichzelf aan ons, door in ons te gaan wonen. Hij gaat met ons de meest intieme relatie aan, zoals de bruid dat zegt in het Hooglied (1: 11), als ze alle zelfzucht achter zich laat: ik ben van mijn liefste en naar mij gaat uit zijn verlangen!-. God cijfert zich weg en gaat in het verbond met ons een onverbrekelijke liefdesrelatie aan. Hij kiest ons uit. In Christus.

In de instelling van het avondmaal lezen we dat ontroerend. Lucas 22: 20: deze drinkbeker is

het nieuwe verbond door mijn bloed, dat voor u vergoten wordt; De discipelen zullen hun oren niet geloofd hebben. Hier ging het plotseling niet meer om het herdenken van de uittocht uit Egypte en om de tien geboden. Maar om de vervulling van de profetie van Jeremia! God die zelf bij je komt wonen.

Maar dat ging niet gemakkelijk. Galaten 3: 13: Christus heeft ons vrijgekocht uit de vloek der Wet

door voor ons een vloek te worden,- omdat geschreven staat: ‘vervloekt is al wie hangt aan

een stuk hout’ (Deut. 21,23),- Jezus gehoorzaamde de wet absoluut, en verdiende zo de zegen. Hij kreeg de vloek die wij verdienden. De wet was zo belangrijk voor God, dat zijn Zoon moest sterven. In die nacht voldeed Christus volkomen aan de Wet en het oude verbond, en schiep hij tevens een nieuw verbond: niet langer hoeven ze dan ieder zijn naaste en ieder zijn broeder te leren en zeggen: ge moet de Ene kennen!, want allen zullen zij hem al kennen.

Wij kunnen zo een onvoorwaardelijke liefde maar moeilijk begrijpen en aanvaarden. God weet toch wie we zijn? Niet beter dan die eerste Adam in elk geval. Zou het werkelijk waar zijn, dat nieuwe verbond?

Het volgende verhaal is van Jaime Cardinal Sin, aartsbisschop van Manilla. Er was een vrouw die wekelijks op bezoek kwam met de mededeling dat ze een boodschap van God voor hem had. Hij vond dat maar zo-zo en ontving haar niet. Maar de vrouw bleef komen. Ten langenleste ontving de kardinaal haar. ‘Kijk,’ zei hij tegen haar, ‘ ik wil wel zeker weten dat u echt een boodschap van God hebt. Luister: ik beleed onlangs een bepaalde zonde aan Hem. Ik wi dat u hem vraagt welke zonde dat was. . Als u dan terug komt en het mij vertelt, weet ik dat uw visioen echt is.

De vrouw kwam de volgende week terug. De kardinaal stelde haat een beetje nerveus de vraag: ‘ En, heeft u nog bij God geïnformeerd naar mijn zonde?

‘Dat heb ik gedaan.’

‘En, heeft God antwoord gegeven?’

‘Jazeker.’

‘Wat zei God?’

‘God zei dat Hij het zich niet meer kon herinneren.”

Als we dat tot ons laten doordringen willen we hem wel dienen. Niet uit angst voor vergelding, maar uit liefde voor zijn sterven. En de relativist zal zijn relativisme ter discussie stellen. God is te heilig om met zijn liefde te sjoemelen onder het motto “ ach, dat komt wel goed.’ En de wetticist zal zijn leven onder de zware druk overwegen: wil God dat echt? Zo’n vreugdeloos christenbestaan? Maar ook worden wij loyaler naar elkaar. In het verbond is de relatie met God en de ander belangrijker dan mijn individuele consumentenbehoefte. Ook al wegen de kosten niet op tegen wat ik er uithaal: ik blijf de kerkdienst bezoeken. Dat is het verbond. Een levende relatie, waarin van ons betrokkenheid wordt gevraagd.

voordat ik U niet vind;

A.F. Troost, Wanneer ik zoek naar woorden