Preek zondag 21 augustus 2011


 

Cirkel in al je gángen om de Éne, vertrouw op hém

 

Op non-actief gesteld worden. Een tijdje uit het gewone leven. Sommigen overkomt dat op hun werk. Als het slecht gaat met de zaak bijvoorbeeld. Anderen moeten wegens ziekte een tijdje afhaken. Aan dat ‘op non-actief’ kleeft eigenlijk altijd een negatief beeld.

 

Als zoiets je overkomt, is een eerste vraag natuurlijk; waarom gebeurt dit mij? Sommige christenen menen dat je zoiets niet mag vragen. God is je geen verantwoording schuldig immers. Hij handelt soeverein.

Maar als Mozes en Aäron bij Farao pleiten om het volk Israel te laten gaan om voor God een feest te vieren, weigert Farao categorisch daarop in te gaan. Hij maakt de omstandigheden van de Israëlieten oneindig veel zwaarder juist. En Mozes maakt van zijn hart geen moordkuil. Hij legt zijn waaromvraag aan God voor met de woorden (Ex. 5: 22) …..mijn Heer, waarvoor hebt ge kwaad gedaan aan deze gemeente; waarvoor eigenlijk hebt ge mij gezonden?- Mozes staat niet met gebalde vuisten voor God. Zijn gezindheid is goed. Maar zijn onbegrip mag hij God kennelijk best voorleggen.

Mozes was trouwens zelf een goed voorbeeld van iemand die een lange tijd op non-actief stond. Na veertig jaar aan het hof te zijn opgevoed laat God hen veertig jaar in de eenzaamheid van de woestijn tot volwassenheid komen. En zowel de opleiding aan het hof als de bezinning in de woestijn had Mozes in de laatste veertig jaar nodig om het volk Israel door de woestijn te leiden.

Laten we kijken naar drie personen die door God op non-actief werden gesteld.

Elia (1 Kon. 17).

Elia verschijnt hier volstrekt plotseling op het toneel. Hij krijgt de opdracht om de meest goddeloze koning die Israel ooit heeft gehad de wacht aan te zeggen. En meteen daarna stuurt God hem naar de beek Keriet. Op non-actief. Niks volgende opdrachten. Niks nieuwe profetieën. Drie-en-een-half jaar niks doen. En elke morgen en elke avond raven die voedsel kwamen brengen. Elia moest in volstrekte afhankelijkheid leven.

Weten wij nog wat dat is, leven in afhankelijkheid? Zijn wij nog dankbaar voor ons dagelijks brood? Of denken we: ach nou ja, dat ligt gewoon in de vriezer, daar hoef ik verder geen aandacht aan te besteden. Hebben wij nog het diepe besef dat we volstrekt afhankelijk zijn van God? Elia moest dat leren, meteen in het begin van zijn optreden.

Filippus (Hand. 8: 26 e.v.).

Filippus had groot succes met zijn prediking van de blijde boodschap. Hij trad op voor grote menigten. En dan plotseling draagt God ‘m op om naar een eenzame plek te gaan. In de middaghitte nog wel, als eigenlijk iedereen zich gedeisd houdt wegens de warmte en binnen blijft. Filippus zal vast gedacht hebben: wat gaan we nou beleven? Maar hij gaat wel.

En dan passeert de schatbewaarder van Kandake. Hij zit op zijn reiswagen en leest de profeet Jesaja. Filippus heeft dat niet in de gaten en wordt daar door God op attent gemaakt (: 29). En de Geest zegt tot Filippus: treed toe en voeg je bij deze wagen!

Misschien moest Filippus – briljant spreker voor een grote menigte – hier leren om zorg te hebben voor de enkeling. En dat geldt ook voor ons. Laten we de enkeling, de eenzame, de zieke aandacht geven. Laten we hem of haar de warmte van de christelijke gemeenschap laten ervaren. Laten we, als Filippus, die les leren.

Johannes (Op. 1: 9 e.v.)

Johannes stichtte gemeenten in het huidige West-Turkije. Hij zorgde voor ze. Bemoedigde ze. Bezocht ze. Hij was er heel druk mee. En dan plotseling verbant keizer Domitianes hem naar de eenzaamheid van het eiland Patmos. Daar zat Johannes non-actief te zijn. Voor ‘zijn’ gemeenten kon hij niets meer betekenen.

En dan krijgt hij zijn visioen. Hij ziet zeven kandelaren, een beeld van de zeven gemeenten die hij stichtte. En God zelf loopt tussen die kandelaren door. God zelf laat Johannes zien: Ik zorg voor ze. Ik, Jezus, zet jouw werk voort. Heb er geen zorg over. Wat een troost voor Johannes!

Non-actief. Waarom? Waartoe? Iedereen die ermee te maken krijgt moet met God samen haar of zijn les eruit leren. Maar in de eenzaamheid zijn we niet alleen. God is er bij. Onze reis mag misschien nogal onrustig en onzeker zijn, onze aankomst is zeker.

 

De Ene: wees stil voor hem,