Preek 1-11-2009


Kijken achter de horizon

Van tweederde van de psalmen in de bijbel wordt de dichter in de aanhef vermeld. Een twaalftal psalmen (50, 73–83) worden toegeschreven aan Asaf, onder Salomo een van de koorleiders in de tempel te Jeruzalem. Asaf de zanger is een tijdgenoot van David, de koning. En het is David die Asaf’s competenties ontdekt en hem aanstelt als koorleider van de tempel. Daar begon dus de  traditie van de zangers in de tempel (Neh. 12: 6). Het aantal zangers was heel aanzienlijk ( 148 volgens Neh. 17: 44; en zelfs 288 volleerde zangers met leerlingen volgens 1 Kron. 25: 7 en 8, die werden verdeeld in 24 groepen van 12 personen. In 2 Kron. 29: 30 wordt Asaf “ziener” genoemd.

Kennelijk wordt de traditie om te zingen van generatie op generatie doorgegeven. Zoals ook wij onze kinderen en jongeren aansporen om hun capaciteiten te gebruiken in Gods koninkrijk. Opdat de lofzang ononderbroken mag klinken in Gods gemeente.

Asaf’s bekendste psalm is stellig nummer 73. Als we die beginnen te lezen lijkt er – na het eerste vers “Echt, God is voor Ísraël góed, voor de lóuterén van hárt!” – eigenlijk niks op een lofzang. Het woord klaagzang komt eerst. Een klaagzang van een jaloers mens. Asaf kijkt om zich heen en ziet dat het juist die mensen die zich aan God noch gebod ook maar iets gelegen laten liggen goed gaat. En dat stemt ‘m bitter. Wij zouden zeggen”het is niet eerlijk!” Vers 13, 14:

Ach, vergeefs hield ik zúiver mijn hárt, heb ik mijn hánden gewássen in ónschuld!- werd ik een gepláagde heel de dág, iedere óchtend opníeuw gekastíjd!

Asaf was bezig zijn zicht op God behoorlijk kwijt te raken. Herkennen we dat? Zijn ook wij niet makkelijk jaloers op degenen die het volgens ons beter hebben? Op hun mooie huis? Hun vele geld? Mooie auto?
Als we zo kijken verdwijnt God makkelijk uit het zicht.

Maar Asaf komt bij zinnen (: 16, 17):

Hoe ik ook nadacht om dát te verstáan, het bleef ellénde ín mijn ógen; totdat ik kwam in het héiligdom van Gód en ácht sloeg óp hun éinde.

Zijn klaagzang keert om met het woord totdat van vers 17. Asaf kiest een ander perspectief. Hij gaat Gods heiligdom binnen. En zijn jaloezie slaat om in blijdschap. In vreugde met God. In grote blijdschap.
Hij noemt God in vers 26: de rots van mijn hárt en mijn déel is Gód vóor éeuwig.

En in vers 28 tenslotte is Asaf compleet omgekeerd. Is zijn jaloersheid helemaal weg. Want hij juicht het uit:

En ik: nabij God te zijn, is mij goed, ik heb als mijn toevlucht gesteld mijn Héer, de Éne, om te vertéllen ál uw wérken!

Er is niks verkeerds aan als we om ons heen kijken. Maar laten we wel bedenken waar we naar kijken. Laten we onze blik richten op God. Laten we letten op het einde dat Hij geeft. En hem voortdurend een loflied zingen. Want Hij is het waard.

Delen uit psalm 73 zijn door klassieke componisten vaak op muziek gezet. Bijvoorbeeld:

Heinrich Schütz:  http://www.youtube.com/watch?v=VCxdsE9DM1E :de verzen 25 en 26:

Herr, wenn ich nur dich habe, 
so frage ich nichts nach Himmel und Erde. 
Wenn mir gleich Leib und Seele verschmacht, 
so bist du doch, Gott, allezeit 
meines Herzens Trost, und mein Teil.