Preek zondag 24 juli 2011


 

alles bedekt zij, tegen alles in gelooft zij,

De christenen in Corinthe hadden werkelijk alles. De gemeente beschikte over grote gaven. Geweldige sprekers. Sterke leiders. En was heel overtuigd van eigen succes. Toch hekelt Paulus hen in zijn eerste brief. Om hun partijzucht. Om hun sexuele moraal. Om de misstanden bij het avondmaal. Paulus schrijft in hoofdstuk 13 zijn diepste analyse met wat er mis is in Corinthe.

Het gaat niet in de eerst plaats om gaven of talenten, zegt hij. Maar om een goed karakter. En dat is wat anders! Want wat zegt hij in vers 2? En al heb ik de gave van profetie en weet ik alle verborgenheden en al wat er te kennen is, al heb ik al het geloof om bergen te verzetten, maar liefde heb ik niet,- ik ben niets.

Geloof om bergen te verzetten is hier de gave van leiderschap. Een leider kan mensen die een bepaalde hindernis uit zichzelf nooit kunnen nemen in staat stellen dat wel te doen. En ‘profetie’? Je onthult geheimen van God.
Wat zegt Paulus daar nu van? Ach, zegt hij, je kunt in de kerk een sterk leider zijn en toch een mager christen. Je kunt door God worden gebruikt om duizenden mensen te bereiken, terwijl je geestelijk een nul bent.
Gaven lijken op juwelen die iemand om heeft. Genade daarentegen maakt dat je hart zelf een juweel is. Nogal wat begaafde lieden hebben een karakter om op te schieten. Als we naar onszelf kijken? Verbergen we iets achter al die goede dingen die we voor anderen doet? Zijn we getalenteerd? Mooi. Maar weten we ook wat innerlijke vreugde is? Is ons hart veranderd?

En moreel hoogstaand gedrag? Moreel begaafd zijn is ook iets anders goed zijn. In vers 3 geeft Paulus opnieuw een opsomming, maar nu een andere: En al deel ik alles wat van mij is uit, en al geef ik mijn lichaam prijs om mij te laten verbranden, maar liefde heb ik niet,- ik ben nergens nuttig voor.

Het lijkt wel of Paulus hier mensen aanspreekt die het met vers 2 eens zijn: ‘Inderdaad, al die gaven waarmee we eer kunnen inleggen – onderwijzen, profeteren – hebben we niet nodig. Nodig is moreel hoogstaand gedrag.’
Kijk maar wat er in onze tekst staat! ‘Alles weggeven voor de armen.’ Zo iemand is sociaal bewogen. Sterker: we hebben hier te maken met iemand die wil sterven om wat hij gelooft. Kan het grootser! Maar Paulus rekent net zo hard af met mensen die alle kaarten op hun deugdzaamheid zetten, als met hen die op hun gaven vertrouwen. Luister maar: ‘Ook al zou je dat allemaal hebben, het baat je niets.’
Wat bedoelt Paulus? Je kunt je nog voorstellen dat talenten er niet zoveel toe doen. Maar moreel hoogstaand gedrag? Dat is toch geweldig? Maar Paulus reikt dieper.

Want, zegt Paulus, er komt geen liefde in mee. En dan is moreel hoogstaand gedrag nutteloos.

In het boek Pride and Prejudice gaat het over de vijf gezusters Bennet. Mary is de middelste. Zij lijkt het meest christelijk. Ze is voortdurend in de weer om anderen op hun christelijke plichten te wijzen: ‘Wees trouw, vrijgevig, eerlijk’, en ga zo maar door. Mary leidt een deugdzaam leven. Maar de schrijfster van het boek, Jane Austin, vertelt ook dat Mary uiterlijk de onaantrekkelijkste is. En daar zit het probleem. Om toch maar gerespecteerd te worden, slooft zij zich uit om kennis te vergaren en moreel onberispelijk te zijn. Ze laat haar deugdzaamheid graag aan anderen zien. Daardoor krijgt ze een arrogante uitstraling. Deugden worden niet ingezet ter wille van anderen, ter wille van God, maar ten behoeve van Mary zelf. Ze wil haar minderwaardigheidsgevoel compenseren.

Paulus heeft het hier over karakter, over het ‘ik’ dat onder je gedrag ligt. Hij heeft het over wie je bent als niemand naar je kijkt. Leef je alle kerkelijke regels na, maar raak je toch snel geïrriteerd en word je haatdragend? Liefde is dan niet je voornaamste drijfveer. Mensen die je goed kennen, weten dat.
De tweede aanwijzing vinden we in het laatste vers: Echte liefde – liefde waarbij het niet om jezelf gaat – geeft niet op! Letterlijk: ‘Liefde vergaat niet.’ Wanneer gebeurt dat wel?

Liefdevol word je pas als je gelooft dat liefde een levende en actieve kracht is die jou nieuw leven inblaast. Paulus denkt hier aan Iemand in het bijzonder.
Dat laatste wordt duidelijk uit de context. In het begin van de brief heeft hij afgerekend met de negatieve karaktertrekken van de Corinthiërs. Met hun ruzie, hun jaloezie, hun hoogmoed. ‘Jullie zijn het Kruis van Christus vergeten’, zegt hij. ‘Hoe kun je hoogmoedig zijn als je aan het Kruis denkt? Jezus aan het kruis heeft de liefde van 1 Corinthiërs 13 volmaakt verpersoonlijkt. Jezus wist dat de mensen voor wie Hij stierf, zondaars waren, vijanden. En toch liep Hij niet weg. Waar ontmoet je Iemand die geen ‘boekhouder van het kwaad is’? Aan de voet van het Kruis: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Waar zie je iemand die nooit opgeeft? Aan het Kruis: ‘Vader, laat deze beker aan mij voorbij gaan. Maar niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde.’
Als je de verzen 4-7 in de eerste plaats beschouwt als leidraad voor je eigen gedrag, kom je er nooit. Maar als je deze verzen vooral ziet als al betoonde liefde voor jou, verander je van binnenuit.

Als het in de liefde die je betoont ten diepste om jezelf gaat, gaat het niet om liefde, zegt Paulus. Als je daarentegen jouw geluk in het geluk van de ander steekt, is zijn of haar geluk jouw geluk. Ongelooflijk toch? De Man die dat kon, was Jezus. Hij beschikte over het hele universum en toch stierf Hij voor jou. En wat wint Hij daarmee? Jesaja 62: 11: ‘Uw redding is nabij! Zijn loon heeft Hij bij zich.’ Zijn loon! Wat is dat? Het moet om iets groots gaan. Dat is het dan ook: ‘Men zal hen noemen: Gods heilig volk, volk dat Hij heeft verlost. En u zult heten: Geliefde stad, Nooit Meer Verlatene.’
Dat is het: 1 Corinthe 13 gaat over Jezus Christus die stierf aan het Kruis. Als Zijn genade je overweldigt, loopt je hart vol. Dan trek je met Zijn liefde de wereld in.

in alles hoopt zij, in alles volhardt zij