Preek zondag 17 juli 2011


 

Ich verleugne nicht die Schuld, aber deine Gnad und Huld

 

Als iemand zegt nooit christen te willen worden, “want wat hebben die ervan gemaakt,” dan doet dat zeer. In ons land hoor je dat nogal eens. Dat het christelijk geloof wordt afgeserveerd om wat de christenen er van gebakken hebben. En wat kunnen wij daarop zeggen?

 

De bijbel is duidelijk over wat het christen-zijn met zich meebrengt. Kolossenzen 3 zegt het zo (: 5 – 6):

 

Doodt dan uw aardsgezinde kanten: ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht,- die afgoderij is; door deze dingen komt de toorn van God.

De vijf zaken die hier worden opgenoemd hebben te maken met de (nasleep van) een zondig leven. En wie kan zeggen dat hij of zij er geheel en al buiten staat? Dat er niks herkenbaars in zit? De opdracht is dan radical: Doodt dan! Niet iets als “een beetje minder is al mooi.” “Weg ermee zegt God.

C.S. Lewis schrijft ergens dat hij lange tijd gebeden heeft om kuisheid. “Maar,” schrijft hij eerlijk, “ik zei er wel bij dat het nog niet meteen hoefde.” Hoe herkenbaar.

 

Als Israel zondigt roept God een wraak uit over het volk (Hosea 9). De woorden zijn vreselijk:

geef hun, Ene, ja wat zult gij geven?- geef hun een kinderloze moederschoot en verschrompelde borsten! Al hun kwaad is begonnen in de Gilgal,    ja, daar ben ik hen gaan haten; om het kwaad van hun handelingen zal ik hen verdrijven uit mijn huis; ik zal niet doorgaan hen lief te hebben, al hun vorsten zijn weerspannigen; Efraïm zal worden geslagen, hun wortel zal verdorren, vrucht zullen zij niet zetten; ook als zij nog baren zal ik de begeerde vruchten van hun buik ter dood brengen!

Hield God net meer van zijn volk? Integendeel: Hij was er gek op. Al zijn liefde was voor hen. God schreeuwt zijn teleurstelling uit. En twee hoofdstukke later betuigt God zijn genade. Zonder voorwaarden vooraf.

Ik zal niet doen naar de gloed van mijn toorn, ik zal niet terugkeren en Efraïm verderven;

want een Godheid ben ik en geen mens, in je midden een Heilige; ik zal in de stad niet komen!

Voor ons is de opdracht om Gode welgevallig te leven. Om waar te maken de woorden van Paulus uit Galaten 2: 19 – 20: Ik leef, maar niet meer ík maar Christus leeft in mij; voorzover ik nu in het vlees leef, leef ik in het geloof van de Zoon van God die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft prijsgegeven.

 

Wij christene worstelen nogal eens met ons mens zijn. Wie ben ik? Wat doe ik? Wat wordt er van mij verwacht? En de opdracht om “onze aardsgezinde kanten te doden” liegt er niet om.

 

Maar aan de andere kant komen wij als volkomen gereinigde reine mensen door de voorhang heen Gods heiligdom binnen. Want wij leven in het geloof van de Zoon van God die ons heeft liefgehad.

 

Zoals eens God Israel aansprak op hun gedrag en hun weglopen van Hem, maar zijn relatie met hen niet beeindigde, zo doet God ook met ons. Hij spreekt ons aan op onze verantwoordelijkheid. Maar de band met ons snijdt Hij nooit door. Wij christenen hebben een strijd te voeren. Paulus zelf verzucht in Romeinen 7: 19: Want goed dat ik wil doe ik niet, maar kwaad dat ik niet wil, dat verricht ik. En hij wordt daar wanhopig van. Maar ook realiseert hij zich (Rom. 8:1): Dus is er nu geen enkele veroordeling voor wie één zijn met Christus Jezus.

Wij christenen hebben een strijd te voeren. Maar we hoeven ook weer niet wanhopig te voeren. Want de overwinning is voor ons al behaald!

ist viel größer als die Sünde, dich ich stets in mir befinde.

J.S. Bach, Matthäus Passion, Choral no. 48.