Preek zondag 13 oktober 2019

Omringt Sion, tracht te tellen haar torens, doorwandelt haar paleizen opdat ge kunt vertellen aan een geslacht van later:

 

Waarom ga je ter kerke? Wat of wie maakt dat je op zondagmorgen rond tienen met een stel anderen een plekje zoekt in een gebouw waar een orgel zachte muziek speelt. Sleur? Eigenlijk vraag je het jezelf ook wel eens af. Het heeft wel iets van de opmerking van John Cleese (in zijn filmpje over ‘vergaderingen’: “It is the weekly meeting.” Gewoonte? Je doet het al jaren zo. Je ontmoet mensen die je best graag mag en die doen dat ook al jaren zo. Het voelt gewoon goed.

 

Totdat iemand de vraag stelt: “Wie nodigt je eigenlijk uit op zondagmorgen?” Leo Fijen (journalist en programmamaker KRO) zegt in zijn lezingen over de kansen voor de kerk in deze tijd onder andere Begin bij God. En Het moet je raken in je eigen hart.

 

Natuurlijk is het God die ons uitnodigt. Dat weten we allemaal. Maar of het ons altijd ook zo bewust voor ogen staat?

In de Bijbel komen ook passages voor die weerspiegelen dat het besef om Wie het gaat soms wat laat komt.

 

De tekst uit Jesaja 25: 9 is groots: Zeggen zal men te dien dage: zie, deze is onze God, wij hebben gehoopt op hem en hij heeft ons gered,- dit is de Ene, wij hebben gehoopt op hem, laten wij juichen en verheugd zijn  om de redding die hij heeft gebracht! Als je de teksten (:6 – 9) daarvoor leest maakt het ook een beetje de indruk van “O ja, daar ging het om. Goed dat we eraan worden herinnerd.” Ervaren wij dat ook niet zo nu en dan? Dat een en ander weer eventjes moet worden opgefrist?

 

We zien lang niet altijd (meteen) wat God voor ons doet. Als (2 Kon. 6: 8 – 23) de koning van Aram oorlog voert tegen Israël waarschuwt Elisa de koning van Israël. De koning van Aram is woest als hij merkt dat Israël hem steeds een stapje voor is. Dan is er een van zijn dienaren die uitlegt dat hier de profeet Elisa een rol speelt. Die vertelt aan de koning van Israël wat Aram van plan is.

Dan stuurt de koning van Aram een zware legermacht naar Dotan, waar Elisa woont. De stad wordt compleet omsingeld. De knecht van Elisa ziet de bewapende soldaten en schrikt zich lam. Hij zegt tegen Elisa ach, mijn heer, wat moeten we doen? Elisa zegt vrees niet,- want die bij ons horen zijn talrijker dan die bij hen horen! En Elisja bidt en zegt: Ene, open toch zijn ogen, dat hij ziet! Dan opent de Ene de ogen van de jongen en ziet hij: ziedaar, het bergland vol van paarden en wagens van vuur die Elisja omringen. Zo nu en dan opent God ook onze ogen, opdat wij weer echt zien wie Hij is en hoe Hij met zijn engelen ons omringt.

 

Een andere geschiedenis waar iemand de schellen van de ogen vallen is die van Saulus. In zijn geboorteplaats Tarsus bestudeerde hij als joods jongetje en jonge man de Thora. Hij bezat een zeldzame bekwaamheid in het doorgronden en memoriseren van de teksten van de Wet en de Profeten. En hij vond voorbeelden bij zijn niet aflatende studies die hem stimuleerden om zich met hart-en-ziel aan God te wijden. Gen. 15: 6: Hij heeft vertrouwd op de Ene; die heeft hem dat gerekend als gerechtigheid.

Num. 25: 11, 12: Pinchas, zoon van Elazar, zoon van Aäron de priester, heeft mijn woede over de zonen Israëls gekéérd doordat hij met míjn ijvergloed onder hen heeft geijverd; en ik niet in mijn naijver een einde heb hoeven maken aan de zonen Israëls. Daarom, zeg ik: hier ben ik, ik geef hem mijn verbond van vrede!

Dat stond Saulus voor ogen. God dienen zoals de werkelijk grote mannen uit het Oude Testament. Gods gerechtigheid verwerven! Gods verbond van vrede waardig zijn.

En met die instelling trok de jonge Saulus naar de plaats waar de Joodse Wet op het hoogst werd bestudeerd: Jeruzalem. Hij vond een briljante leermeester in Gamaliël.

In de reuring die ontstond toen Stephanus grote wonderen deed en in de in de synagoge uitlegde dat in Jezus de Nazarener alle beloftes en voorzeggingen van de profeten waren vervuld, stemde Saulus volkomen in met de terechtstelling van Stephanus. Even later nam hij in zijn grote ijver zelfs het initiatief om in Damascus Joden op te sporen die ook Jezus waren gaan volgen.

En dan, op weg naar Damascus, krijgt Saulus een visioen uit de hemel. Hij ziet Jezus, de Persoon die hij vervolgt! Saulus ziet in één flits in dat alles wat hij bestudeerde uit de Wet en de Profeten in Jezus werd  vervuld. De puzzel van Wet en de Profeten klopte – met al zijn duizenden stukjes – volmaakt. Saulus hoefde niets af- of bij te leren. Hij hoefde alleen maar te kijken, te zien. En (Hand. 9: 20): hij is meteen in de samenkomsten Jezus is gaan prediken: dat híj de Zoon van God is. De schellen waren van zijn ogen. Saulus zag Jezus.

En dat geldt ook ons. Zien we Wie ons uitnodigt op zondag? Er is weinig mis met een goede gewoonte. Maar wat is de zin erachter?

 

ja, hij is God, onze God een eeuwigheid en langer,-
hij geleidt ons over de dood!

Psalm 48: 13 – 15