Preek zondag 1 mei 20111


 

sta op en ga in de middaghitte op reis

 

Het valt lang niet altijd mee om je te laten leiden door God. Volgen we niet vaak onze eigen invallen en voorkeuren? In Handelingen 8 : 26 – 40 lezen we een geschiedenis die ons kan leren in dat opzicht.

 

Het is de bekende geschiedenis van Filippus en de schatbewaarder van koningin Kandake van Ethiopië.

Filippus krijgt de opdracht om een ziel te redden. Een engel vertelt ‘m waar hij naar toe moest gaan. Het was niet een al te florissante plek, een woestijnweg. Maar God wees die aan, en dus ging Filippus. Zonder toen al te weten waarom en waartoe. Wij willen nogal eens zelf de tijd en de plaats bepalen waar we ons willen inzetten voor God. Laten we Gods leiding afwachten en volgen.

 

En dan komt op die eenzame plek een reiziger voorbij.. Een hoge ambtenaar – niveau minister van financiën – uit Ethiopië. Hij was naar Jeruzalem geweest om daar te aanbidden. Hij zal een Jood geweest zijn, levend in de diaspora. Omdat hij in Ethiopië niet kon aanbidden zoals door God voorgeschreven moest hij wel Jeruzalem bezoeken.

 

Dan reist hij vervolgens terug. En hij leest uit een boekrol die hij waarschijnlijk kocht in Jeruzalem. Hij leest hardop. Zodat het gelezene goed doordringt en blijft hangen.

‘als een schaap wordt hij ter slachtbank geleid, en als een lam dat tegenover wie het scheert stemmeloos is, zo opent hij zijn mond niet;

in zijn vernedering wordt het oordeel over hem opgeheven; wie zal van zijn nageslacht verhalen?

want zijn leven wordt van de aarde opgeheven’

 

Daardoor kon Filippus horen wat hij las. En Filippus begreep meteen wat hem te doen stond. Filippus doet het beste wat hij kon doen: hij stelt een open vraag. “Begrijpt u wel wat u leest?”, vraagt hij. Nou, niet dus. De reiziger vraagt over wie dit gaat. Over de schrijver Jesaja zelf, of over iemand anders.

 

Filippus geeft een prachtig antwoord. Hij predikt Jezus, die van de gelezen passage het onderwerp is. De reis ging verder, met de twee mannen pratend naast elkaar.

 

Dan komen ze bij water. Dan blijkt dat de Ethiopiër zo gegrepen is door wat hij las en de uitleg ervan, dat hij wil horen bij de Persoon die hij net had leren kennen. Filippus formuleert dat de enige voorwaarde die er aan het dopen wordt gesteld: als u met heel uw hart gelooft

mág het! De belijdenis van de Ethiopiër is even kernachtig als prachtig: ik geloof dat Jezus Christus

de Zoon van God is! De kern van het Christendom! En hij wordt gedoopt.

Beide mannen stappen weer uit het water. En Filippus wordt weggevoerd naar een andere plek. De Ethiopiër ziet ‘m niet meer. Maar hij mist ‘m niet, want vol vreugde is hij zijn weg verdergegaan. Hij heft Christus leren kennen, en dat is eer waard dan al het andere wat er maar bestaat. Hij is volmaakt gelukkig. Hij had nieuw leven! Kolossenzen 2: 12 zegt dat heel kernachtig: mee-begraven met hem in de doop; in hem zijt ge ook mee-opgewekt door het geloof in de werking van God die hem heeft opgewekt uit de doden.

Doen wij dat ook? Mensen bij Christus brengen? Op Gods aansturing?

Laten we leren van Filippus.

Filippus opent zijn mond en …….. verkondigt hem Jezus.