Preek zondag 11 augustus 2019


 

Als hij uitstapt ziet hij een talrijke schare,

 

De geschiedenis van de barmhartige Samaritaan is heel bekend. Als je zo voor de vuist weg een uitleg moet geven, dan komt het hier op neer: wij moeten worden als die barmhartige Samaritaan. Wij moeten ook goed doen.
Zo eindigt Jezus het verhaal toch ook: Ga heen, doe gij evenzo.
En meestal wordt dat dan ook gezien als de boodschap van onze tekst.

 

Is dat niet te simpel? Staat er wel (Lukas 10: 25 – 37) wat (we denken dat) er staat? Is dit wel een heel direct toepasbare les in naastenliefde? De wetgeleerde die een vraag stelde wist immers al lang dat hij zijn naaste moest liefhebben? Hij wil weinig anders dan die rondtrekkende rabbi die zoveel volk trekt eens aan de tand voelen. Wat stelt die persoon helemaal voor? Met de simpele vraag wat doende zal ik eeuwig leven beërven?denkt hij Jezus uit de tent te lokken. Maar dat loopt eventjes anders. “Jij bent de wetgeleerde” zegt Jezus, ”jij weet het antwoord vast zelf wel”. En de wetgeleerde is niet zo goed of hij lepelt de wetstekst (Deut. 6,5 ‘liefhebben zul je de Heer je God, vanuit heel je hart, met heel je ziel, met al je kracht’en Lev. 19,18liefhebben zul je je naaste, zoals jezelf!-) foutloos op. De mensen eromheen hoor je denken “wat was dat nou voor een vraag. Had je dat zelf niet kunnen verzinnen?De wetgeleerde wenst onder geen beding af te gaan en bedenkt om zijn gezicht te redden een vervolgvraag: en wie ís mijn naaste?

 

En dan begint de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Een reiziger wordt overvallen op de weg van Jeruzalem naar Jericho.  Een gevaarlijke weg; hij komt zo ongeveer uit bij de Dode (!) Zee. De reiziger is half dood gemept en heeft dus hulp nodig. Hij lijkt sterk op de mensheid in het algemeen: lichamelijk nog wel levend voor de wereld, maar geestelijk dood voor God.

 

De eerste passant die hulp kan bieden is een priester. Een vertegenwoordiger van de godsdienstige klasse. In zijn traditioneel denkkader, geworteld in regeltjes en uiterlijke dingen weet hij niks met het slachtoffer aan te vangen. Het slachtoffer interesseert ‘m duidelijk niet.

 

Dan passeert er een leviet. Een vertegenwoordiger van de wet, van de rechterlijke macht. Ook hij heeft geen oog voor de hulpbehoevende man. En veroordeelt daarmee feitelijk het slachtoffer.

 

Dan passeert er een Samaritaan. Deze man is het beeld van Jezus zelf. Hij zag en zocht wat verloren was en hulp nodig had. De Samaritaan verzorgt de mishandelde man met olie en wijn. En daarna loopt de Samaritaan naast zijn rijdier om daarop de gewonde man te vervoeren. Hij brengt de gewonde man naar een herberg, waar hij hem eerst zelf nog verzorgt en daarna op eigen kosten de waard inschakelt voor verdere verzorging.

 

Ontwaren we hier niet een paar parallellen met wat de Heer Jezus deed en doet voor ons? Hij offert Zichzelf om ons te redden. Als de vertegenwoordiger van de Wet snel doorloopt, is het de Heer Jezus die de Wet geheel en al vervult.

 

De Heer Jezus brengt het slachtoffer naar de herberg. Een beeld van de christelijke gemeente, waar mensen na hun bekering weer op krachten en tot geestelijke bloei komen. En in de Persoon van de waard ontwaren we de Heilige Geest die in de gemeente woont.

 

De Samaritaan belooft terug te komen. In het verhaal komt dat niet verder aan de orde. Maar hoezeer zal de gewonde man hebben uitgezien naar de terugkomst van zijn weldoener?

 

En dat laatste is ook een les voor ons. Zien wij uit naar Christus’ terugkomst? Hij heeft ons immers alle ontferming betoont?

 

en is om hen bewogen;

Mattheüs 14: 14