Preek zondag 28 juli 2019


‘zie, ik ben gekomen;  in de rol, het boek, staat over mij geschreven.’

 

William MacDonald komt met een verrassende uitleg van psalm 27. Hij trekt een parallel tussen de gedachten die David aan het papier heeft toevertrouwd en de intieme en onheilspellende momenten die Jezus beleefde in de uren voorafgaande zijn dood aan het kruis op Golgotha. Dit geeft de psalm een diepere laag die ons meevoert naar de gedachten van onze Heer in de uren die voorafgingen aan Zijn vreselijke lijden en sterven. Hiernade uitleg van William MacDonald in schematische vorm.

Psalm 27 Gevangenneming en verhoor van de Heer Jezus
1  De Ene is mijn licht en mijn redding,

voor wie zal ik vrezen?-  

de Ene is mijns levens veste,

voor wie dan nog verschrikt?

Toen de hogepriesters en tempelwachters en de oudsten van het volk die op hem afgekomen waren in het Hof van Gethsémané, de plek waar Jezus in de nacht voor zijn kruisiging een aantal uren doorbracht, zei Jezus: “Dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.” (Lucas 22;53) Tegelijk kan hij zich getroost hebben met de woorden in psalm 27:1, aldus MacDonald.
2 Toen tegen mij naderden mensen vol kwaad om mijn vlees te verslinden, mijn benauwers

en mijn vijanden om mij heen,  

zijn zij zelf gestruikeld en gevallen!

Toen ze Jezus gevangen wilden nemen, zei Hij tegen hen (Judas, een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de farizeeën): “Wie zoeken jullie?” Ze antwoordden: “Jezus uit Nazareth.” Jezus zei daarop: ” ‘Ik ben het”. Toen hij zei: “Ik ben het,” deinsden ze achteruit en vielen op de grond. (18:4-6)
3 Al legert zich tegen mij een leger,

   mijn hart wordt niet bevreesd,-

al staat een oorlog tegen mij op,  

toch weet ik mij hier veilig.

Ze wilden Jezus gevangen nemen in de hof. Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. (Johannes 18:3)
4 Eén ding vroeg ik van de Ene

en dat is wat ik zoek:

te zetelen in het huis van de Ene al de dagen van mijn leven, om te aanschouwen de lieflijkheid van de Ene, de ochtend te zien gloren in zijn tempel!

Petrus wilde niet dat ze Jezus gevangen zouden nemen. Hij trok het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. Maar Jezus zei tegen Petrus: “Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?” Jezus was bereid de weg van God te gaan, omdat zijn enige wens was de wens van God uit te voeren en in Gods nabijheid te verkeren.
5 Want hij laat mij schuilen in een loofhut ten dage van het kwaad, hij zal mij bergen in het verborgene van zijn tent, op een rots

zal hij mij heffen!

De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. (Johannes 18:12) Het zag er menselijkerwijs uit als een hopeloze zaak, desalniettemin had Jezus op dat moment de woorden van psalm 27:5 gezegd kunnen hebben.
6 En nu zal zich opheffen mijn hoofd

over mijn vijanden rondom mij,

zal ik offeren in zijn tent

offers met geschal, ik zal zingen en spelen voor de Ene!

Jezus’ vijanden waren bezig plannen te bedenken om Hem een kopje kleiner te maken door Hem tussen hemel en aarde te verhogen aan het kruis. Maar Jezus keek uit naar een andere verhoging. Hij keek uit naar de vreugde en heerlijkheid die voor Hem lag. Zoals Jezus in Mattheüs 26:63 zegt: “Maar ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel.”
7 – 8 Hoor, Ene, mijn stem nu ik roep, begenadig mij, geef mij antwoord!

 

Van u zei mijn hart steeds:

   ‘zoekt zijn aanschijn!’-

Ene, uw aanschijn zal ik zoeken!

Jezus werd naar Kajafas de Hogepriester geleid. MacDonald schrijft bij dit psalmvers: “Hierop barstte de hogepriester uit met beschuldigingen van godslastering. ‘Wat vindt u ervan?’ vroeg hij aan de omstanders. ‘Hij verdient de doodstraf!’ was hun antwoord. Hierbij kan ik me de Heiland voorstellen [dat] Hij in stilte [psalm 27:7-8] bad.”
9 Wil uw aanschijn niet voor mij verbergen, wijs uw dienaar niet toornig af, gij waart toch mijn hulp;  

wil mij niet verstoten, niet verlaten,

o mijn God, mijn redding!

Als daarna ook nog alle leerlingen hem in de steek lieten en wegvluchtten, gaat Jezus ervan uit dat God hem in dit kritieke moment niet zal verlaten. Hij is immers in het verleden hem ook nabij geweest.
10 Al hebben mijn vader en mijn moeder mij verlaten, de Ene verzamelt mij bij de zijnen. Wat er ook gebeurt, zelfs al zou hij worden verlaten door zijn ouders, Jezus heeft zijn vertrouwen gesteld op zijn hemelse Vader, die in alles, en altijd, voor ons zorgt.
11 – 12 Ene, wijs mij uw weg

   en leid mij op een effen pad,  

omwille van wie op mij letten!      

 

Geef mij niet over aan de keel van mijn benauwers, nu tegen mij zijn opgestaan valse getuigen,

snoevers vol geweld.

De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden een valse getuigenverklaring tegen Jezus te laten afleggen op grond waarvan ze hem ter dood zouden kunnen veroordelen, maar ze vonden er geen, hoewel zich vele valse getuigen meldden. Ten slotte meldden er zich twee die zeiden: ‘Die man heeft gezegd: “Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen.” (Mattheüs 26:59-61) Dat was lariekoek, want Jezus had gezegd: “Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.” (Johannes 2:19) Hij sprak hier over de tempel van zijn lichaam. Omdat de hele rechtszitting een farce was, werd deze valse getuigenis aanvaard.
13 O, als ik niet had vertrouwd

te zien de goedheid van de Ene in het land der levenden!

Ondanks de menigte die schreeuwt: ‘Kruisigt hem’, kan hij tegelijk van harte hebben gezegd: ‘O, als ik niet had geloofd des heren goedheid te zullen zien in het land der levenden!’.
13 Hoop op de Ene:

wees sterk,

je hart zij onversaagd,  

blijf hopen

op de Ene!

MacDonald schrijft dat hij zich kan voorstellen dat Jezus dit als een persoonlijk advies uit de hemel meegeeft aan alle gelovigen.

‘….toen zei ik: zie, ik kom, aan het hoofd van een boek staat over mij geschreven, God, dat ik uw wil zal doen’

Psalm 40: 7;  Hebreeën 10: 7