Preek zondag 30 juni 2019

Vergeet niet in het donker, wat je in het licht gezien hebt!

 

Psalm 27 is een opmerkelijke psalm. Hij heeft heeft twee kernen. Twee gezichten. En sluit af met een hartstochtelijke belijdenis van de dichter, van David.

 

Het kloppend hart van het eerste deel  (vers 2 tot en met 6) zijn de verzen 4 en 5met de krachtige woordenEén ding vroeg ik van de Ene en dat is wat ik zoek: te zetelen in het huis van de Ene al de dagen van mijn leven, om te aanschouwen de lieflijkheid van de Ene, de ochtend te zien gloren in zijn tempel! David wil niks liever dan veilig schuilen bij God, hoog op een rots. Maar meer nog dan rust, zoekt David naar God zelf. Naar God ‘in the beauty of holiness.’ God in al zijn schoonheid, pracht en luister. Niet om een vluchtige indruk van God op te doen, maar om Hem werkelijk te ervaren, te aanschouwen, te leren kennen. Het perspectief, de vaste verwachting die hij daarbij heeft  (: 13) is prachtig: O, als ik niet had vertrouwd te zien de goedheid van de Ene in het land der levenden! Als de psalm met vers 6 zou eindigen en dan direct met vers 13 zou besluiten, zouden we fraai kunnen afsluiten met de vrome woorden dat wij deze psalm graag met David meezingen. Want als wij dus dicht bij God blijven en Zijn zorg ervaren kunnen we in de psalm ook ons eigen levensverhaal zien en kunnen we van harte dit eerste deel van de Psalm met David meezingen.

 

De realiteit van ons leven – en ook van deze psalm – is nogal eens anders. Het is een lied van een gewoon mens. Vreugde en verdriet bestaan naast elkaar. De toon in de verzen 7 tot en met 12 is compleet anders. Alle optimisme lijkt verdampt. Waar is Gods aanwezigheid gebleven? God die je weg effende. En nu zit je in de ellende. Davids eerdere stralende vertrouwen is omgeslagen in vertwijfeling en diepe zorgen.

 

Dat voelt hopeloos. God is plotseling op grote afstand. Heel ver weg. Je hebt behoefte aan een blijk van Gods liefde, van zijn zorgende aanwezigheid. Maar het tegendeel is het geval: je merkt helemaal niks van God.

Je weet niks anders te doen dan te bidden Wil uw aanschijn niet voor mij verbergen, wijs uw dienaar niet toornig af, gij waart toch mijn hulp; wil mij niet verstoten, niet verlaten, o mijn God, mijn redding!

 

De dichter Guido Gezelle schreef op het eind van zijn leven ook zo’n klein, heel persoonlijk en ontroerend vers:

Heere, komt, ik ben ellendig, 
‘k ben vol zonde en vol verdriet; 
komt, Uw’ goedheid is onendig, 
lange en beidt, o Heere, niet!

 

En juist hier schrijft David de woorden O, als ik niet had vertrouwd te zien de goedheid van de Ene in het land der levenden! David wacht in vertrouwen dat God zich weer zal laten zien. Dat hij Gods Zijn liefde en goedheid weer zal ervaren in zijn leven.

 

Maar als we hopen op wat we niet kunnen bekijken, 
moeten we in volharding afwachten.

Rom. 8: 25