Preek zondag 12 mei 2019


In d’ ongestoorde rust, wanneer we bij U wonen,
zijn al de uwen, Heer, volmaakt U toegewijd.

 

Als we  de brief aan de Hebreeën lezen moeten we wel bedenken dat de oorspronkelijke lezers christen-Joden waren. De schrijver haalt heel specifieke beelden uit het Oude Testament aan, die voor christenen zonder Joodse achtergrond lastig te duiden zijn.

 

We lezen Hebr. 4: 1 – 11. Het gaat hier over het ‘binnenkomen in de rust van God.’  Dat is aan de ene kant kennelijk iets dat God heeft klaarstaan voor de gelovige christen. Vers 9 luidt: Er blijft dus een sabbatsrust over voor de gemeente van God. Maar anderzijds is het ook zaak daar werk van te maken. Gods beloften zijn meer dan mooie stukjes literatuur of zoete spreuken die weinig om het lijf hebben hebben. Gods beloftes moeten bepalend zijn voor de richting van onze handelingen.

 

Wat bedoelt de schrijver van de Hebreeën-brief met de dag van de sabbatsrust? Als God (Gen. 2: 2 – 3) in zes dagen de hemelen en het aardland voltooit met hun strijdschaar, houdt Hij op de zevende dag sabbat van al zijn werk dat Hij gedaan heeft. Op die zevende dag is er een volkomen harmonie, een allesomvattende vrede en een volkomen rust tussen God en zijn schepping. Dat was wat God beoogde, dat was waarvoor God de schepping bedoelde.

 

Maar wij mensen verstoorden van onze kant die rust volkomen, door te eten van de boom die in het midden van de hof van Eden stond. En dat had God verboden. De mens moest de hof verlaten. Aan de rust kwam abrupt een einde. Rom. 8: 22 getuigt daarvan met de woorden wij weten dat heel de schepping mee-zucht en mee in barensnood is tot nu toe. De zonde van ons mensen verstoorde de rust die God gaf volkomen.

 

Opmerkelijk is trouwens dat in heel Genesis niet gesproken wordt van een rustdag zoals wij dat vandaag de dag kennen. Wij hebben de zondag, een dag waarop je even de tredmolen van het dagelijks gebeuren achter ons kunnen laten. De rustdag waarvan God spreekt is de voortdurende harmonie in de schepping. En die was weg met de zonde in het paradijs.

 

God had er dan ook spijt van dat hij de mens had geschapen (Gen. 6: 6). Hij laat een zondvloed heel de aarde overspoelen. Maar God is genadig: Hij laat de mensheid niet sneven, getuige de woorden Van Jezus in Joh. 5: 17: mijn Vader werkt tot nu toe en ík werk ook! In Genesis 3 (: 15) kondigt God aan dat satan de nederlaag zal lijden en dat Christus zal overwinnen!

 

De tweede plaats in de bijbel waar de heilige rustdag ter sprake komt is in Ex. 16. Deze passage moeten we lezen tegen de achtergrond dat het volk Israël geweldig mopperde gedurende de reis door  de woestijn. Een maand of twee nadat ze uit Egypte zijn bevrijd blijkt de waarheid van het gezegde ‘zoals het vroeger was is het nooit geweest’. Ze klagen dat het in Egypte veel beter was en dat ze alleen maar bevrijd zijn om alsnog van honger om te komen.

 

God stuurt dan manna, dat ze moeten verzamelen om ervan te eten. Zes dagen moeten ze er ’s morgens op uit om manna te verzamelen. En de zesde dag moeten ze verzamelen voor twee dagen, want (Ex. 16: 29 – 30): ziet in dat de Ene u de rustdag heeft gegeven; daarom is hij het ook die u op de zesde dag brood voor twee dagen geeft; blijft zitten, ieder op zijn plek; laat niemand wegtrekken van zijn plaats op de zevende dag. Dan houden ze rust, de gemeente, op de zevende dag. Zoiets had God voor geen enkel ander volk ooit gedaan! (Psalm 147: 20). De rustdag is vanaf Ex. 16 een verplichting voor Israël.

 

Voor Israël. Heeft het sabbatsgebod voor ons christenen van vandaag dan geen betekenis? Absoluut wel! We komen weer terug bij de passage in Hebreeën 4: 9: waar staat Er blijft dus een sabbatsrust over voor de gemeente van God. Een dag die nog in de toekomst ligt. Een dag van rust. De schrijver gebruikt de term ‘rust’ zoals Mozes dat deed, als een omschrijving van heel de erfenis die God zijn volk beloofde.

 

Voor de christen is deze erfenis alles wat God ons wil schenken wanneer we Hem zien. Het is geen  huidige rust vandaag de dag, maar een rust die te maken heeft met het einde der tijden. We gaan onze sabbatsrust binnen na de moeiten en inspanningen van dit leven. De ‘sabbatsrust’ ziet ook niet op een periode van 24 uur. De sabbatsrust is veel groter dan dat, net zoals de sabbatsrust in Gen. 2 dat ook was. Het gaat opnieuw om een periode van onafgebroken harmonie in de schepping.

De ‘sabbatsrust’ is als een schaduw die vooruit wijst naar de toekomstige periode waarvan de Bijbel spreekt als het over hert duizendjarig rijk gaat. Waar Christus zal regeren als koning. Wij als christenen weten dat die periode aanstaande is, maar ook dat de feitelijke realisatie nu nog toekomstmuziek is. Toch mogen wij ook vandaag de dag al rusten in dat vooruitzicht; wij verwachten het met volharding.

 

Hebben de Israëlieten wel goed begrepen wat God bedoelde met de ‘sabbatsrust’ in Ex, 16? Stellig niet. Als ze in Ex 19: 8 zeggen al wat de Ene heeft gesproken zullen we doen! klinkt dat prachtig. Maar ze hebben geen idee wat ze zeggen en beloven! Israël faalt, en hoe dikwijls struikelen ook wij!

Gehoorzaamheid zou zegen gebracht hebben. Ongehoorzaamheid bracht uiteindelijk de verbanning van Israël uit hun land. Hun toekomstige terugkeer in het land zal worden gekenmerkt door geloof in de Messias en door bekering en gehoorzaamheid.

 

Als we de uitspraak van Petrus (2 Petr. 3: 8; Psalm 90: 4) Maar dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat bij de Heer één dag is als duizend jaren en ‘duizend jaren als één dag’ nu eens letterlijk nemen en dan het volgende sommetje maken:

  • Van schepping tot kruis ~ 4000 jaar = 4 dagen
  • Van kruis tot heden ~ 2000 jaar = 2 dagen

Dan rest ons thans nog precies één dag! Dan is de rustdag, Gods sabbatsdag, aanstaande!

 

Hebreeën 4 zet alles voor ons keurig op een rijtje. Maar spreekt in schaduwbeelden over de aanstaande toekomst.

Wij christenen leven niet bij schaduwbeelden; wij zien de toekomst met Christus reeds in zijn volle lichtglans als tastbare realiteit voor ons.

 

De Heer Jezus is de ware rustbrenger. Hij geeft ons christenen rust in een gebroken wereld waar satan nog heerst. In 66 boeken werkt de Bijbel toe naar de rust die God in petto had voor de wereld en nog steeds in petto heeft. We zien daarvan een beeld in Op. 4, waar Johannes ziet dat  een troon in de hemel stond, en op de troon Iemand die zat. Christus die zijn koningschap aanvaardt. Op. 20 vertelt van de rust die heel feitelijk van kracht wordt als de satan eerst voor duizend jaar wordt opgesloten in een verzegelde afgrond en vervolgens voor altijd in de hel vertoeft. De rust die God bedoelde wordt dan werkelijkheid: God is Koning op de berg Sion:

  • Micha 4: 4: zij zullen zitten ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom en niemand die hen opschrikt;
  • 8: 4: nogmaals zullen er oude mannen en oude vrouwen zitten op Jeruzalems pleinen,- ieder met zijn stut in zijn hand vanwege de vele dagen;

 

De toekomstige rust is er enkel en alleen op grond van geloof in Jezus Christus. Hij die zelf zei (Matth. 11: 28): Hierheen, naar mij toe, allen die vermoeid en belast zijt, en ík zal u rust geven!

 

Gods rust veronderstelt gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid aan Christus. Laten we ons in alles beijveren om die rust binnen te gaan. Met Hebr. 12: 1 – 2: Laten daarom dan ook wij, ……, alle ballast, en de zonde die ons zo makkelijk hindert, afleggen en met volharding de wedstrijd lopen die vóór ons ligt, ziende op de overste leidsman en voleinder van het geloof: Jezus;

 

 

Dan werpen w’ aan uw voet de ons gegeven kronen
en wij aanbidden U tot in all’ eeuwigheid.

Geestelijke Liederen 2003, nr. 192