Preek zondag 17 maart 2019


 

 

Maar als we hopen op wat we niet kunnen bekijken,

 

Vanmiddag gaan we nadenken over “De kerk in de eindtijd.” Hét Bijbelboek dat vertelt over de eindtijd is natuurlijk Openbaring. En daarbinnen zijn het de hoofdstukken twee en drie die een beeld geven van de geschiedenis van de christelijke kerk. Voor de schrijver – Johannes – was het een profetie, een voorzegging van wat komen zou. Voor ons, tweeduizend jaar later, vallen heel wat van die voorzeggingen op hun – historische – plekje.

 

Allereerst zijn daar de zeven gemeenten. Johannes krijgt van God de opdracht om aan zeven gemeenten een brief met een belangrijke boodschap te schrijven.

  • De gemeente van Efeze krijgt allereerst lof toegezwaaid. Maar een cruciaal negatief ding is dat je je eerste liefde hebt verlaten. In termen van vandaag: het evangelie gaat om de armen. Gaat om de medemens die in nood is. Kenmerkt zich door met bewogenheid omzien naar elkaar. En daar is weinig mis mee, zolang de basis van die gerichtheid op de medemens met zijn problemen maar blijft liggen in de liefde van God voor ons. Zolang de basis ligt in Jezus Christus, en die gekruisigd. Wie die basis niet langer heeft moet gaan beseffen dat hij/zij van grote hoogte is gevallen en tot omkeer moet komen. Zo niet, krijgt de gemeente van Efeze te horen, dan wordt je kandelaar weggenomen.
  • Smyrna beschrijft een situatie waarin de toenmalige kerk in zijn geheel werd vervolgd.
  • Pergamus, de tijd van Constantijn de Grote weerspiegelend, gaat over de situatie waarin de kerk wereldwijde macht uitoefende.

Van deze drie eerst beschreven gemeenten kun je wel zeggen dat ze vandaag de dag niet meer gerepresenteerd zijn op aarde.

  • De gemeente van Thyatira stelt de donkere zijden van de Rooms-katholieke kerk aan de orde.
  • Terwijl Sardis spreekt van het Protestantisme in zijn – op ongelovigheid uitlopende – verschijningsvorm
  • Philadelfia ziet op de grote opwekking die in de 19eeeuw wereldwijd optrad.
  • Laodicea weerspiegelt tot slot de christelijke gemeente in de eindtijd.

Deze laatste vier gemeenten treffen we dus vandaag de dag – naast elkaar – nog aan op aarde.

 

Een schets van de gemeente van Laodicea. (Op. 3: 14 – 22).

De schrijver – God zelf – afficheert zich als ‘trouw’, ‘waarachtig’en ‘het begin van de schepping Gods’.

Alle relativering die we vandaag de dag plegen wordt hier aan de kant geschoven. Van de ideeën als ‘dat was toen; we moeten de nieuwe inzichten wel meenemen natuurlijk’ laat deze aanhef weinig heel.

 

Een – overigens gelovige – persoon zei ooit ‘alles in de Bijbel waar ik wat aan heb onderstreep ik; en waar ik niks aan heb streep ik door.

 

Zo een selectief Bijbellezen vanuit eigen gevoel en overtuiging leidt uiteindelijk tot een christendom zonder Christus. Als je het fundament onder je geloof – Christus zelf, en die gekruisigd – weghaalt, stort dat geloof als een kaartenhuis ineen. Wie God niet langer als Schepper ziet en daarmee Adam en Eva niet als historische personen, is fout bezig in het christendom.

 

Zo een geloof is laf. Het smaakt naar niks. Net als het water in Laodicea. Dat door een fout aangelegd viaduct niet goed stroomde en noch verfrissend noch warm was. Maar lauw. Niemand had er wat aan.

 

De gemeente van Laodicea had van zichzelf trouwens een compleet ander beeld dan Johannes in de brief moest opschrijven. Ze vonden zichzelf geweldig. Hadden aan niks gebrek. Waren geen seconde ongerust. En hadden niet in de gaten dat je ellendig en deerniswekkend, arm en blind en naakt bent;

 

Gods brief spreekt het individuele gemeentelid in Laodicea aan. Koop goud(neem Gods gerechtigheid aan),koop witte gewaden(erken de rechtvaardiging in Christus) en koop ogenzalf(krijg zicht op wie God is).

 

Bij wie daarop ingaat en op Gods kloppen zijn deur opent, komt God persoonlijk binnen. En God zal persoonlijk met zo iemand de maaltijd gebruiken. Neemt zo iemand in bescherming. Ontvangt zo iemand in zijn intieme sfeer. De ongelooflijke belofte van hem zal ik geven met mij te zitten op mijn troon, is voor degene in Laodicea die God (weer) toelaat in zijn/haar leven.

 

Een schets van de gemeente van Philadelfia (Op. 3: 7 – 13).

De ‘geopende deur’ ziet op de Griekse idee dat de beschaving zo ongeveer door hen is uitgevonden en dat het de taak is om in steden aan de grens van het Griekse rijk opleidingsinstituten te hebben met een ‘open deur’, waarin de ‘barbaren[1]’ onderwijs konden ontvangen om zo op een hoger peil van beschaving te geraken.

 

De Grieken brachten hun inzichten dus actief aan de man. Hielden die niet voor zichzelf alleen. En dat was ook wat de christenen in Philadelfia deden. Ze moesten hun deur openzetten voor de mensen om hen heen en zo Gods waarheid laten zien en horen aan de mensen om hen heen. Net zoals ook wij bereid moeten zijn om rekenschap af te leggen van de hoop die in ons is (1 Petrus 3: 15).

Soms dachten we misschien wel eens dat we mensen er met de haren bij moesten slepen. Vandaag de dag werkt dat in elk geval niet meer. Maar in het kader van Ef. 4:20 ‘zo hebt u Christus niet leren kennen’: soms val je al op als christen als je goede tafelmanieren toont.[2]Of niet roddelt. Of geen zwart geld accepteert. Of je aan de verkeersregels houdt. Of……

 

Die geopende deur is aan de christenen in Philadelfia gegeven. Door God zelf. Niemand kan die deur dicht doen. Want je hebt kleine kracht. ‘Want’? Hoezo ‘want’?  Moet daar niet staan Maarje hebt kleine kracht?

Hier maakt de heilige Geest heel fraai het contrast met wat we eerder lazen in en over Laodicea. Daar was het adagium ‘rijk en verrijkt en aan niks gebrek.’ En ze zaten er mijlenver naast.

Het ‘want’in Philadelfia laat zien dat de kracht van een christen niet in hem/haarzelf zit. Maar dat we Gods kracht altijd nodig hebben. Met Paulus in 2 Kor. 12: 9: want de kracht wordt in zwakheid volbracht!

 

Er staat nog een raadselachtige tekst (3: 9) over mensen die van zichzelf zeggen dat zij Judeeërs zijn, en het niet zijn. Wij kunnen hier denken aan streng gereformeerde kringen waar op elke plaats waar ’Israël’ of ‘Jood’ staat het woord ‘kerk’ mag worden gelezen. En manier van Bijbellezen die bekend staat als de vervangingstheologie. Als Philadelfia Gods liefde werkelijk uitstraalt zal dat ook door deze kringen worden gezien. En erkend.

 

Voor velen, ook voor veel christenen, is vandaag de dag de aarde de enige toekomst. En waar die aarde in grote problemen is, moet daar actief actie worden gevoerd. Voor ons christenen moet duidelijk zijn dat er een ander, een hemels vaderland wacht. Niet dat we niet verantwoord met deze aarde moeten omgaan. En dus geen roofbouw moeten plegen. Maar God geef een toekomst die daar echt ver bovenuit gaat. ‘Ik kom spoedig’, zegt God. Dat is de vaste verwachting van de christen. Al tweeduizend jaar. Dat ‘spoedig’ houdt de verwachting levend. Houdt ons christen-leven ook geestelijk op orde. We moeten de zaal niet gemakzuchtig laten verslonzen. En de verwachting van Christus’ komst uit het oog verliezen.

 

De moeder van een gezin was opgenomen in het ziekenhuis. Noch pa noch de zonen hadden veel zin in opruimen. En lieten zo ongeveer alles slingeren. Toen plotseling en geheel tegen de verwachting in  het telefoontje kwam dat moeder die middag nog zou worden ontslagen, brak er tamelijke paniek uit.

 

Philadelfia ligt in een aardbevingsgebied. Als God dan beloofd hem zal ik maken tot een pijler in de tempel van mijn God is dat voor de oorspronkelijke lezers wel een heel sterk positief signaal geweest. Een rotsvaste, bevingsbestendige positie. In de hemel. In de hemel, waar de straten van goud zijn. Zodat we geen stoffig voeten krijgen als op aarde. En in de hemel, waar de stad poorten heeft, vervaardigd uit een parel. Een parel ontstaat uit de pijn van een oester. Alles wat we in de hemel ontvangen komt voort uit de pijn die Jezus Christus leed, onderging en verdroeg. Voor ons.

 

Kerk in de eindtijd. Verlangen we naar de hemel? Kiezen we ervoor om ons leven op aarde vandaag de dag zo in te richten dat we de komst van Christus daadwerkelijk verwachten?

 

moeten we in volharding afwachten.

[1]Betekent onbeschaafd; komt van het Griekse barbaros, een klanknabootsing van het geluid dat een vreemdeling, ‘barbaar’, in Griekse oren leek te maken als die ‘barbaar’ in zijn eigen, ‘onverstaanbare’, dus niet-Griekse, taal sprak: ‘bar-bar-bar-bar’.
[2]Zoals onze spreker vertelde vanuit een studenten-eethuis. Waar één tafel was waar iedereen het eten keurig deelde. En niemand voordrong. Christenen, zo bleek.