Preek zondag 13 maart 2011


 

 

 

Waar de weg mij brengen moge, aan des Vaders trouwe hand

 

 

De beelden van de Japanse aardbeving en de tsunami hebben we allemaal gezien. Nu is dit toch wel een beetje ver-van-m’n-bed voor ons, ook al komt het via de televisie zowat online binnen. We zien het wel, maar aan den lijve ervaren is toch heel wat anders.

En toch zouden we onszelf de vraag eens moeten stellen: hoe zou het met ons geloof zitten, als we werkelijk persoonlijk getroffen zouden zijn door zo een onvoorstelbare ramp? Een ramp waaraan niemand schuld heeft? Waaraan louter overmacht ten grondslag ligt? Zou ons geloof wankelen? Of zelfs schipbreuk lijden?

 

Laten we eens kijken naar Job. Het gaat ‘m zeer voor de wind. En God is blij met hem. De satan vindt dat maar mooi makkelijk: als het je zo voor de wind gaat wil iedereen God wel eren. “Pak ‘m alles maar eens af, dan zal hij wel anders piepen” meent satan. De ramp die Job vervolgens overkomt is van ongekende omvang. Job kon er helemaal niets aan doen. Het gebeurde gewoonweg. Job verloor letterlijk alles. En hoe reageerde hij? Job 1 : 21, 22:

Hij zegt: naakt trok ik weg uit de schoot van mijn moeder en naakt keer ik daarheen terug; de Ene heeft gegeven, de Ene heeft genomen, de naam van de Ene zij gezegend!

In dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.

God spreekt opnieuw zijn blijheid over Job uit. En de satan daagt God uit om ere en schepje bovenop te doen en de beproeving nog zwaarder te maken. En God bewilligt daarin.

Job’s ellende is zo groot dat drie vrienden die ‘m komen opzoekken zeven dagen lang geen woorden vinden om Job te troosten.

Job’s geloof stijgt uit boven de omstandigheden. Job’s geloof is niet gebaseerd op de presentjes die hij van God krijgt. Job’s geloof heeft alles te maken met de presentie van God in zijn leven. Met de relatie die hij heeft met God. Job praat met God over zijn ellende. Job legt God zijn onschuld voor. Maar hij neemt van God geen afscheid. En als God met ‘m praat erkent Job (42 : 5): Van horen zeggen had ik van u gehoord,- maar nu heeft mijn oog u aanschouwd.

Zijn geloof is verdiept. Heeft nog meer fundament gekregen. Is sterker geworden. Terwijl Job van de achtergrond vijn zijn ellende geen enkele uitleg heft gekregen!

Hoe staat het met ons geloof? Herkennen we wat Hebreeën 11 : 6 zegt: En zonder geloof

is het onmogelijk hem te behagen; want wie tot God komt moet geloven dat hij is en voor wie hem ernstig zoeken wezen zal: een gever van loon.

Een lange stoet van geloofshelden paradeert hier. Van hen wordt niets negatiefs gezegd. Ze worden geprezen omdat ze voorbij hun zorgen en verzoekingen zagen. Omdat hun geloof hen kracht tot handelen gaf en richting aan hun inspanningen.

Hoe reageren wij hierop? Zoeken ook wij God om in zijn nabijheid kracht te ontvangen? Hebreeën 12 zegt het, aansluiten aan hoofdstuk 11 en de conclusie trekkend, als volgt:

Laten daarom dan ook wij, nu wij een zo grote wolk van getuigen rondom ons hebben liggen,

alle ballast, en de zonde die ons zo makkelijk hindert, afleggen en met volharding de wedstrijd lopen

die vóór ons ligt,

Willen we dat? Afstand nemen van de zonde die ons zo makkelijk in de greep houdt en ons toevertrouwen aan God, zonder redeneren en argumenteren? Met God onze weg gaan? Heel praktisch in de dagelijkse gang van ons leven? Durven we ons onvoorwaardelijk aan hem toe te vertrouwen?

loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land.