Preek zondag 24 februari 2019


Maar gij blijft dezelfde,

 

Wanneer we zoals vanmorgen Gods lof zingen gaat het natuurlijk heel vaak om onze redding. Om de Heer Jezus die in onze plaats het oordeel droeg dat voor ons bestemd was.

Gedurende de drie jaar die daaraan voorafging wandelde onze Heer door het land en vervulde er zijn openbare dienst. We bekijken vandaag een tweetal gebeurtenissen uit het begin van die periode van openbare dienst.

 

De eerste gebeurtenis is de doop van de Heer.We lezen Mattheus 3: 13 – 17.

 

Johannes kwam in de woestijn en doopte en predikte een doop van bekering tot vergeving van zonden. In geen vierhonderd jaar was er een profeet in Juda opgetreden. Heel het Judese land en de inwoners van Jeruzalem liep uit naar Johannes en ze werden door hem gedoopt, onder belijdenis van  hun zonden.

Dan besluit Jezus om van Galilea naar de Jordaan te gaan om zich ook door Johannes te laten dopen. Een verbluffende gebeurtenis. De schepper van hemel en aarde verkiest zich één te maken met zijn landgenoten. God zelf heeft het toch niet nodig om zonden te belijden en zich te laten dopen? Het is ontroerend dat onze Heiland hier al laat zien dat Hij kwam voor ons mensen. En dat Hij alles zou doen om ons mensen van onze zonden te verlossen. Johannes wil Jezus niet dopen. Het antwoord van Jezus aan Johannes (: 15) zegt alles: laat het onmiddellijk toe; zó immers past het ons alle gerechtigheid te vervullen! Het woord ‘ons’maakt duidelijk dat hier heel de drie-ene Godheid spreekt. Vader, Zoon en Heilige Geest brengen hier het ultieme verlossingswerk ter sprake. Alles wat God voornemens was te doen ging hier – met eerbied gesproken – van start.

 

De volgende gebeurtenissen kennen we onder de noemer ‘de verzoeking in de woestijn.’

 

In de bijbel is de woestijn een beeld van het leven van ons mensen op aarde. We trekken door de woestijn op weg naar het beloofde land. En voor mensen die door zo een woestijn al wandelend voorttrekken is het niet een vriendelijke en gastvrije streek.

Ook voor onze Heer Jezus was de tijd in de woestijn zwaar. Daarbij vastte hij, wat de tocht nog moeilijker maakte. En dan komt de duivel, om hem aan te vallen. De beproeving duurt veertig dagen. In de bijbel worden ons drie van de verzoekingen beschreven.

 

Als u Gods Zoon bent, zeg dan tegen deze steen dat hij een brood wordt!

Jezus heeft honger. En de duivel begint op spottende toon. Stelt de godheid van Jezus ter discussie. Legitimeer je maar! Laat maar eens wat zien! Bewijs wil ik!

Maar Jezus pareert met ‘niet bij brood alleen zal de mens leven!’ (Deut. 8:3). Jezus heeft maar één uitgangspunt van waaruit Hij dan ook altijd handelt (Joh. 4: 34): Jezus zegt tot hen: mijn spijze is dat ik de wil doe van hem die mij stuurt en zijn werk volbreng!-

 

Ik zal u al de macht en de heerlijkheid van deze koninkrijken geven.

De duivel had inderdaad de macht over de koninkrijken van de aarde, maar moest meteen toegeven dat die macht een aan hem gedelegeerde macht was. Hij vraagt of jezus hem wil aanbidden. Nu is de  duivel zelf een geschapen wezen. En schepsels worden niet aanbeden. Aanbidding is er alleen voor God zelf (Deut. 6: 13)

 

Als u Gods Zoon bent, werp u dan vanhier naar beneden

Een dubbele verzoeking voor zowel God de Zoon (‘spring’) als God de Vader (‘red hem’). Opnieuw antwoordt Jezus met een citaat uit Deuteronomium (6: 16): ‘je zult de Heer, je God, niet op de proef stellen’

Vandaag de dag lijkt het wel alsof de wereld God op een bizarre manier wil provoceren. De woorden ‘Als u dan God bent’horen we maar al te vaak. Waarmee wij mensen God tot onze ondergeschikte, tot ‘uitvoerder’van onze verlangens en eisen willen maken. We onderzoeken God in ons filosofisch laboratorium. En maken Hem zo tot een voorwerp dat we kunnen uittesten.

 

We moeten beter maar onthouden dat 1) geestelijk voedsel boven lichamelijk voedsel gaat, 2) God aanbeden moet worden, 3) we God niet op de proef mogen stellen en 4) we de duivel met geestelijke wapens moeten verslaan (zie Ef. 6: 14 – 17).

 

uw jaren zijn nooit voltooid!

Psalm 102: 28