Preek zondag 27 januari 2019


als iemand het al kan bekijken, wat zal hij ook hópen?

 

In dit ondermaanse is eigenlijk niets blijvend. Gebruiksvoorwerpen geven op de meest ongelukkige momenten de geest. Mensen-namen die ooit op ieders lippen waren worden niet meer herinnerd (Wier weet nog dat het John Deere was die de stalen ploeg uitvond, of Ray Kroc die McDonald’s oprichtte?) Ook wereldrijken kenmerken zich door de cyclus van opgaan-blinken-en-verzinken. Het grote Romeinse rij bestond zo’n duizend jaar. De Chinese Ming-dynastie rond de driehonderd. En het geweldige Sovjetrijk stond slechts zeventig jaar op de kaart!

 

Maar God is een eeuwige koning. God regeert van het begin van de geschiedenis tot het eind. Niets gaat Hem te boven in macht en in heerlijkheid.

 

Psalm 93 getuigt daarvan. Net als psalm 99 (zie preek 13 januari 2019) begint ook deze psalm met de proclamatie “De Heer regeert.” God is bekleed met majesteit. Een koning wordt herkend door de grandeur van de kleding die hij draagt en door de geuren waarmee hij zich omringt.  De Ene werd koning, in hoogheid gekleed, bekleed werd de Ene, met kracht heeft hij zich omgord; vast staat nu de wereld, zij wankelt niet. Een beeld van God die tot een oorlog overgaat. Je ziet de kracht van de eeuwige God.

 

Het is God die de wereld maakte. En Hij alleen. De schrijver van psalm 93 wijst alles wat lijkt op pantheïsme of polytheïsme rigoureus van de hand. God is geen onderdeel van de schepping. Hij staat buiten haar. God maakte de aarde en de hemel en Hij onderhoudt die met het doel dat ze blijven. Kol. 1: 16: omdat in hem alles is geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen, hetzij tronen hetzij heerschappijen, hetzij overheden hetzij machten: het is alles door hem en tot hem geschapen.

 

Het water heeft een verwoestende kracht. Tegen een tsunami is niets opgewassen. Maar Gods macht gaat daar ver  bovenuit.  Verheven hebben de rivieren, Ene, verheven hebben rivieren hun stem,- verheffen zullen rivieren hun branding. Meer dan de stemmen van wateren vele en geweldig, meer dan de brekers van een zee is geweldig in den hoge de Ene!

 

Dan staat er in de psalm: Uw overeenkomsten zijn zeer te vertrouwen,- heiligheid moge sieren uw huis, o Ene, tot in lengte van dagen! Hebben we daar wel eens vraagtekens bij? Denk aan de tekst uit Rom. 8: 23: Wij weten dat voor wie God liefhebben hij alles doet mede-werken ten goede,- voor wie naar zijn voornemen geroepen zijn;

 

Soms open je je e-mail en komen er een flink aantal droevige berichten op je af. Iemand die volkomen onverwacht overlijdt. Een ander die op jongere leeftijd met ongeneeslijke kanker wordt geconfronteerd. En natuurlijk bekruipt je dan wel eens de vraag waarom God dat laat gebeuren.

 

Vers vijf van onze psalm zegt het als volgt: Uw overeenkomsten zijn zeer te vertrouwen,- Het loopt God niet uit de hand. God weeft een kleed waarvan de draadjes aan onze kant misschien wel wat raar lopen, maar dat aan Zijn kant volmaakt van schoonheid is. Over onze kant van dat kleed zegt Rom. 8: 19-22: 19Ja, reikhalzend wacht de schepping op de onthulling van de zonen-en-dochters van God. 20Want de schepping is onderworpen aan vergeefsheid, niet omdat ze dat wil, maar door hem die haar onderwerpt; in hope, 21omdat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de knechtschap van het bederf tot de vrijheid die ligt in de heerlijkheid van de kinderen van God. 22Want wij weten dat heel de schepping mee-zucht en mee in barensnood is tot nu toe.

 

God de Koning, zal heel de schepping bevrijden van de gevolgen van de zonde. God keert de vloek van Genesis drie ten goede. Laat die hoop je uitzicht zijn zegt Rom. 8: 24 Want in die hoop worden wij gered.

 

God heeft een doel met ons, en Hij brengt ons daar naartoe. En wij hebben daarom een zekere toekomst. Rom. 14: 8b: of wij dan leven of dat wij sterven, wij zijn van de Heer! Onze Koning leeft en houdt heet Zijn schepping in de hand. Dus moeten wij uit hoop leven.

 

Maar als we hopen op wat we niet kunnen bekijken,
moeten we in volharding afwachten.

Rom. 8: 24, 25